Academisch Medisch Centrum Universiteit van Amsterdam

Stamcellen niet succesvol

terug

Stamcellen uit beenmerg zijn niet in staat de knijpkracht van het hart te verbeteren na een acuut hartinfarct. Dat blijkt uit het nationale Hebe-onderzoek, dat vanuit het AMC, het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en het VUMC werd gecoördineerd. Maar de studie liet – onverwacht – wel een gunstig effect zien. Extra bloedcellen kunnen de vervorming van het hart en daarmee de aanzet tot hartfalen tegengaan.

De vele aanwezige hartspecialisten tijdens het congres van de American Heart Association in New Orleans waren benieuwd naar de resultaten van het Nederlandse Hebe-onderzoek, die hoogleraar Interventiecardiologie Jan Piek daar op 10 november voor het eerst openbaarde. Hij moest hen helaas teleurstellen. Het beoogde therapeutische effect van stamcellen bij patiënten na een acuut hartinfarct, bleef tijdens de studie geheel uit. Geen enkele proefpersoon had er baat bij.
De aanleiding van het Nederlandse onderzoek was een studie van Piero Anversa, directeur van het Cardiovasculair Onderzoeksinstituut aan het New York Medical College in de Verenigde Staten. Hij had bij muizen de kransslagader tijdelijk afgesloten om een hartinfarct op te wekken. In het ontstane litteken injecteerde hij stamcellen uit het beenmerg van de proefdieren. Door deze injectie werd het littekenweefsel geleidelijk vervangen door goed functionerend hartweefsel.
De lof die Anversa aanvankelijk kreeg, ging echter langzaam over in kritiek. Diverse onderzoekers hadden geprobeerd zijn proeven te reproduceren, maar veelal zonder succes. Toch bleef Piek onder de indruk van de resultaten van Anversa. Zijn enthousiasme werd nog groter toen de Amerikaan met nieuwe bevindingen kwam. Anversa had getransplanteerde harten onderzocht van ontvangers die waren overleden. Bij mannen die een vrouwenhart hadden gekregen, bleek het donorhart stamcellen te bevatten met het mannelijke Y-chromosoom. Piek: ‘Altijd werd aangenomen dat we het vanaf onze geboorte met dezelfde hartcellen moeten doen. Ze delen zich immers niet meer, zo was de gedachte. Anversa’s onderzoek weerlegt dat. Hij maakte aannemelijk dat er cardiale voorlopercellen zitten in de hartspier die kunnen uitgroeien tot hartcellen.’

unieke samenwerking
Piek wilde graag een landelijk klinisch onderzoek starten. Tien hartcentra vond hij bereid mee te doen, waarbij het AMC, het UMCG en het VU Medisch Centrum de kar gingen trekken. Samen met de Groningse cardiologiehoogleraar Felix Zijlstra coördineert Piek de studie. Ook de Nederlandse Hartstichting, het ICIN (Interuniversitair Cardiologisch Instituut Nederland) en industriële partners steunden het project. Volgens de AMC-hoogleraar is de uitgebreide samenwerking binnen een complexe multicenterstudie uniek voor de cardiologie in Nederland.
Voor deze Hebe-studie, genoemd naar de Griekse godin van de eeuwige jeugd, werden in totaal tweehonderd patiënten gevolgd. Allemaal waren ze snel na een hartinfarct in een ziekenhuis opgenomen en volgens de standaardtherapie geholpen. Deze bestaat uit een dotterbehandeling om de vaatafsluiting open te maken en het toedienen van medicijnen: bloedverdunners, een cholesterolverlager, een vaatverwijder en een middel tegen ritmestoornissen. Bij iedere patiënt die toestemming gaf om mee te doen aan het onderzoek, besliste het lot welke behandeling hij of zij verder zou ondergaan. Zo kreeg een deel van de proefpersonen enkele dagen na het infarct via een katheter beenmergcellen in de kransslagader toegediend en ontving een andere groep perifere bloedcellen, die in tegenstelling tot het beenmerg nauwelijks stamcellen bevatten. De overige patiënten, de controlegroep, kregen geen aanvullende therapie.
Drie dagen en vier maanden na het infarct werden alle patiënten uitvoerig onderzocht. Daarbij werden MRI-beelden gemaakt en brachten de cardiologen opnieuw een catheter in. Piek: ‘We waren benieuwd of de extra behandelingen de knijpkracht van het hart zouden verbeteren. Helaas zagen we daarin geen verschil tussen de drie verschillende groepen. Noorse onderzoekers kwamen onlangs met dezelfde resultaten, terwijl Duitse wetenschappers recent wel enige verbetering zagen. Het Hebe-onderzoek maakt aan deze controverse nu een einde: de cellen hebben geen effect op de knijpkrachtfunctie van het hart.’

in vorm
Uiteraard was Piek teleurgesteld, maar onverwacht kwam hij een ander positief effect op het spoor. Bij de twee behandelde groepen zag hij dat het hart minder uitrekte dan bij de controlegroep. Dat is gunstig, omdat een verwijd hart een voorloper is van hartfalen. Dankzij de opgeslagen cellen uit het perifere bloed en het beenmerg afkomstig van de Hebe-studie, kan hij nu uitzoeken welke cellen het hart in vorm houden. ‘Het zijn in ieder geval niet de stamcellen die hiervoor verantwoordelijk zijn, want we zagen het verschijnsel in beide groepen. We gaan nu de vele bloedcellen op die werking controleren. Ook kunnen we het patiëntenmateriaal voor verder onderzoek gebruiken. Na een hartinfarct treedt er bijvoorbeeld een ontstekingsreactie op, die weer allerlei bloedcellen aantrekt. Deze halen het dode weefsel weg, waarna er een litteken ontstaat. Waarom verloopt dat proces bij de ene patiënt heel goed en bij de ander juist niet? Door die verschillen naast elkaar te leggen, krijgen we meer inzicht in het herstelmechanisme.’
Dergelijk onderzoek, waarbij eerst gebruik wordt gemaakt van patiëntenmateriaal om vervolgens de resultaten bij proefdieren te controleren, heeft volgens Piek de toekomst. Hij spreekt van een reverse bench-to- bedside-benadering. ‘Normaal worden eerst dierproeven gedaan om daarna de kliniek in te gaan. Wij hebben geen goede diermodellen voor hartinfarctpatiënten. De laatste jaren hebben dierproeven dan ook weinig opgeleverd. We zullen dus veel meer met patiëntenmateriaal moeten werken. Dankzij het Hebe-onderzoek hebben we dat nu voorhanden.’

biopt
Zijn stamcellen nu voorgoed afgeschreven als mogelijke therapie na een hartinfarct? Piek denkt van niet. Hij heeft goede hoop op de cardiale voorlopercellen, die Anversa ontdekte in het hart. Deze hebben de neiging nieuwe hartcellen te vormen. De hoogleraar licht toe dat bijvoorbeeld een stukje hartweefsel – een biopt – kan worden weggenomen om die voorlopercellen te isoleren, op te kweken en terug te geven aan de patiënt. In samenwerking met het Universitair Medisch Centrum Utrecht doet hij al onderzoek naar deze aanpak bij proefdieren. ‘Maar in de acute fase van een hartinfarct heb je er niet veel aan. Dat opkweken van die cellen duurt weken tot maanden. Pas in een later stadium zou je die therapie kunnen inzetten. Vinden we de bloedcellen die de vervorming van het hart tegengaan, dan hebben we wel een nieuwe behandeling als directe aanvulling op dotteren en medicijnen in de acute fase.’

John Ekkelboom