Ruim zeventig procent van de moeders begint op de dag van de bevalling met het geven van borstvoeding. Dat cijfer daalt snel: na vier weken krijgt nog maar de helft van de baby's moedermelk en na vier maanden slechts 21 procent. Bulk, consultatiebureau-arts bij de Stichting Amstelring en Amsterdam Thuiszorg, bestudeerde tijdens haar promotieonderzoek de motieven van moeders om over te stappen van de borst naar de fles. Samen met 115 artsen van 40 van de 63 thuiszorginstanties in Nederland verzamelde ze gegevens over 4438 zuigelingen in de eerste vier maanden van hun leven. Op 16 januari verdedigt zij haar proefschrift. Het idee dat het kind honger leidt als het de borst krijgt, is het voornaamste motief om te stoppen met borstvoeden. Ook huilen en obstipatie bij het kind worden regelmatig genoemd. In totaal had 63 procent van de redenen betrekking op factoren bij het kind. In 46 procent van de gevallen gaf de moeder aan dat de oorzaak bij haarzelf lag: ze begon weer met werken, het voeden deed pijn of ze voelde het als een beperking van haar persoonlijke vrijheid.
Afwachten
Volgens Bulk worden die kindgebonden redenen niet gestaafd door de feiten. Tijdens het bezoek aan het consultatiebureau blijkt meestal dat het gewicht prima in orde is, dus van honger is waarschijnlijk geen sprake. Borstgevoede kinderen zijn zelfs over het algemeen iets zwaarder. En obstipatie komt lang niet zo vaak voor als gedacht. Uit de literatuur is bekend dat drie procent van de baby's er last van heeft. Toch noemt tien procent van de moeders dit als reden om over te stappen naar de fles. 'Ontlasting kan variëren van tien keer per dag tot eens in de tien dagen. Als je dat niet weet, maak je je ongerust', zegt Bulk. Zelfs medewerkers bij het consultatiebureau geven regelmatig het advies om te stoppen met borstvoeding bij vermeende obstipatie. Kennelijk is ook daar onvoldoende kennis over het ontlastingspatroon. Bulk: 'Als er geen bijkomende klachten zijn, kun je gewoon afwachten. Het gaat vanzelf weer over.' Ook als een consultatiebureau wel op de hoogte is, lukt het niet altijd de informatie over te brengen. Bulk: 'Een kind komt pas na vier weken voor het eerst op het consultatiebureau. Dan is de overstap naar de fles vaak al gemaakt! Bovendien is het contact met een moeder vaak eenmalig en kort.' Vooral in de eerste weken na een bevalling is meer begeleiding wenselijk, vindt Bulk. 'Juist dan doen zich problemen voor. Het kind moet nog leren drinken, het voeden doet vaak pijn. Het zou goed zijn als snel een lactatiedeskundige of wijkverpleegkundige paraat staat bij lichte problemen, liefst nog dezelfde dag.' Vreemd vindt Bulk het niet dat moeders hun kind als reden aanvoeren voor het stoppen: 'Iedereen weet dat borstvoeding het beste is. Zeggen dat je ermee opgehouden bent omdat het kind honger leed, is sociaal wenselijker dan toegeven dat je 'geen zin' meer had.'
CE