Moeite voor iets moois

1 maart 2012

In zijn geruchtmakende Waar zijn de intellectuelen? signaleerde de Engelse cultuursocioloog Frank Furedi een ‘dumbing down’ van onze cultuur. Politici, gezagsdragers, media en culturele instanties zouden zich met hun traditionele voorbeeldfunctie geen raad meer weten. Lijdt de samenleving aan acute verkleutering? In de serie ‘Niet te moeilijk graag’ wordt die vraag voorgelegd aan uiteenlopende wetenschappers en publicisten. Aflevering 7: Désanne van Brederode over de valkuil van kindvriendelijkheid.

Eerst waren het alleen zijn voeten. Groter dan de mijne. Niet één, maar drie, vier, bijna vijf schoenmaten verschil. Nu is zijn hele lichaam groter. Als we tegenover elkaar staan, of naast elkaar lopen op straat, kunnen we elkaar opeens recht in de ogen kijken. Al heeft hij uitgerekend in deze fase de neiging om blikken te ontwijken, vermoedelijk uit een mengeling van verlegenheid en… Hoe noem je dat? Vrijheidszin?
Geen mollig handje in de mijne meer, maar forse bijna-mannenhanden (met aders erbovenop!) die hij soms even op mijn schouders legt. Natuurlijk alleen wanneer ik sta te koken, de was ophang, of achter mijn computer zit en hem niet makkelijk kan omhelzen, bij wijze van antwoord op zijn aanraking.
Een enkel puistje en een overslaande stem verraden dat de veranderingen nog maar pas in volle gang zijn. Er is nog geen donshaartje op zijn bovenlip te bekennen, en op stiekem roken of drinken hebben we hem nog niet betrapt. De nieuwe zoon moet nog komen, maar de ‘oude’, dat wil zeggen: de kleine en knuffelbare, lijkt voorgoed verdwenen. Zomaar. Opeens.
Tegenwoordig kijkt hij zelf met een vaderlijke blik naar de kinderen die in de Sinterklaastijd hun schoentje zetten bij de supermarkt. En onlangs sprak hij met vertedering en dankbaarheid over zijn mooie peuterprentenboeken en kleuterspeelgoed, als een opaatje dat zich de goede oude tijd te binnen brengt. Bij alle blijken van droge puberironie toch ook wel weer eens leuk.

Niet uniek
Dat deze bijzondere ervaringen niet uniek zijn, besef ik terdege. Met terugwerkende kracht begrijp ik de melancholieke blik in de ogen van mijn moeder nadat ik haar, zo rond mijn veertiende, te kennen had gegeven dat ik mijn kleding voortaan liever alleen wilde kopen en al helemáál geen adviezen wilde over de pasvorm van badpakken en behaatjes.
Overal op de wereld speuren ouders en vaste verzorgers van puberkinderen naar het aanhankelijke, spontane en zo pure kleintje dat plotseling voorgoed verstopt en misschien zelfs wel begraven lijkt in dat nog wat te ruim zittende, kersverse mannen- of vrouwenlichaam – en bovendien volstrekt onvindbaar lijkt in het soms ijskoude, dan weer felle, dan weer dromerige, romantische tienergezicht dat bij ieder spiegelend oppervlak probeert aan zichzelf te wennen, of er leert spelen met effecten. De verleidelijke pruillip, de ongenaakbare opgetrokken wenkbrauw: hoe kom ik over op de anderen? Vervolgens het afwerende gebaar. De stilte voor de storm: kom alsjeblieft niet te dichtbij!
Fragile. Handle with care. En we doen ons best en proberen de band wat meer te laten vieren. We genieten openlijk van al die bewijzen van toegenomen zelfstandigheid en zelfredzaamheid, en zijn dankbaar als onze pubers na een nachtelijk feestje weer veilig zijn thuisgekomen. Als ze hebben geweigerd op gevaarlijke verleidingen in te gaan, of zonder waarschuwingen en tips vooraf, een lastige situatie elegant het hoofd hebben geboden.
Maar toch. Toch blijft er ook die vage droefheid, heimelijk, om dat voorgoed zoekgeraakte engeltje dat zich zo zonder aarzeling aan onze zorgen toevertrouwde. Kan het contrast met een nors zwijgende, of om niets in drift uitbarstende puber groter zijn?
Waarschijnlijk wordt er hierbij iets teveel geïdealiseerd: vergeten lijken de stinkende luiers, de ellenlange, onverklaarbare huilaanvallen, de boze buien middenin de supermarkt, de bepaald niet vertederende manifestaties van het ‘eigen willetje’. Alsof het niet heeft bestaan.
In de soms ronduit schokkende puberteitsjaren lijken alle opgroei-jaren ervoor opeens een aaneenschakeling van gelukzalige hoogtepunten. Ook al was er de angstwekkend bloedende wond na een valpartij uit het klimrek: met pleisters, maar vooral ook met kusjes, iets lekkers en een mooi verhaal op de bank was zulke ellende nog prima te verhelpen. Terwijl ouders bij de mogelijke innerlijke pijn van pubers doorgaans lijdzaam moeten toezien. Niets kunnen doen, of – misschien nog wel erger – niets mógen doen.

Tegen de klippen op
Als reactie op de extreme makeover die de natuur onze kinderen aandoet, is het omzien in nostalgie niet vreemd. Tegelijk verbaast het me dat volwassenen hun voorstellingsvermogen wél regelmatig aanwenden om, tegen de klippen op, het lieve kleine kind in hun pubers, hun adolescenten en zelfs hun volwassen nakomelingen terug te vinden – maar het omgekeerde veel minder schijnen te doen. Of daar dan tenminste niet over spreken en zich er zeker niet naar gedragen.
Anders gezegd: het verbaast me dat ouders en opvoeders van kleine kinderen zich zo zelden bewust lijken van de puber, de adolescent en de volwassene die zich nu nog in dat snoezige lijfje verborgen houdt.
Ten onrechte worden kleine kinderen bejegend met een what you see is what you get-houding. Zeker, soms uit iemand zijn verwondering over de enkele zuigeling of dreumes die verre van onbevangen de wereld in blikt, maar veeleer als iemand met levenservaring – doordat hij bijvoorbeeld met een zekere achterdocht op agressief jolige, kirrende begroetingen reageert: ‘Wat een pienter, wijs koppie. Dat zou wel eens een denkertje kunnen worden. Alhoewel… Soms suggereren ook chimpanseetjes zo’n surplus aan intelligentie, terwijl ze nooit veel meer zullen kunnen dan heel handig een banaan van een hoge tak neerknuppelen. Dus wat is mijn waarneming waard?’
Een nobele, want bescheiden vraag. Aangenamer te verteren dan de conclusie dat dit kind waarschijnlijk een ‘oude ziel’ is. Iemand met een belangrijke missie, die daarbij nog heel wat te verduren zal krijgen van al die talloze minder gevorderde, ongevoelige, ‘on-wijze’ zielen.
Zelfs al zouden de inzichten van sommige toverfeeën kloppen, ik vermoed dat de ouders noch het kind zelf gebaat zijn bij dit soort loodzwaar wegende ‘voorkennis’. Want als hier geen sprake zal zijn van een self-fulfilling prophecy, zal juist de teleurstelling overheersen dat de hoge opdracht niet is gehaald.
Ieder kindje, hoe briljant het ook uit de oogjes blikt, kan een volwassene in zich meedragen die straks nergens in uitblinkt en niets van zijn leven maakt. Tenminste, niet naar de maatstaven van de buitenwereld. Een des te grotere tegenvaller als hem in zijn jeugd het beste onderwijs en de beste zorg zijn geboden, en hij toch uit een familie komt waar iedereen uitblinkt door scherp verstand en ambitie.
‘Snap jij dat nou? Dat jochie had als vierjarige al zulke knappe uitspraken, en hij heeft geweldige genen, en zijn ouders boden hem het beste van het beste… En wat heeft hij bereikt? Een baantje als parkeerwacht!’ (Dat hij in dit vak uiterst veel kan aanvangen met zijn sociale vaardigheden lijkt überhaupt niet te tellen.)
Maar het omgekeerde kan evengoed waar zijn. Het kind dat laat gaat praten en lezen, dat elk schooluitstapje met klieren verstoort en geen enkele belangstelling toont voor de warmte en sfeer die zijn ouders thuis creëren, kan zich op latere leeftijd ontpoppen tot een knappe wetenschapper met een enorm maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel of tot een cultuurminnaar met een uitgelezen smaak. Of tot allebei. Je weet het niet.

Onverschilligheid
Maar dit niet-weten is wat mij betreft nog geen reden tot onverschilligheid en evenmin een aansporing om je, in zorg, opvoeding en onderwijs, slechts te richten tot dat kleine kindje van vandaag, en tot zijn interesses en behoeften van dit moment alleen.
Toch lijkt dat meer en meer te gebeuren, meestal onder het mom ‘kindvriendelijkheid’ – een begrip dat weinig te maken heeft met beschaafde omgangsvormen, maar vooral rijmt op die twee andere woorden die op ‘vriendelijkheid’ eindigen, te weten: gebruikersvriendelijkheid en klantvriendelijkheid. Deze kwalificaties worden steevast meegegeven aan producten en diensten die simpel toegankelijk zijn en/of eenvoudig te bedienen. Dus zonder dat de consument zich eerst uitgebreid hoeft te verdiepen in een handleiding of, om een en ander goed te laten functioneren, verschillende stappen moet zetten dan wel verschillende stadia moet doorlopen. Een enkele druk op de knop is voldoende, heet het soms. Een andere keer wordt hier nog opgetogen aan toegevoegd dat de gebruiker dan in de tussentijd iets anders, nee, ‘iets belangrijkers’ kan doen. Bijvoorbeeld telefoneren of televisiekijken. Erbij blijven en wachten is niet meer nodig.
Je ergens moeite voor moeten getroosten, iets moeten nalaten of zelfs opofferen, het in een situatie moeten uithouden of anders simpelweg geduld moeten oefenen; allemaal ouderwetse, achterhaalde onzin. Zonde van je tijd en energie.
Ook het kleine kind lijkt zich vooral niet moe te mogen maken. Onder de gekleurde toetsen van zijn plastic Fisher Price-pianootje gaan geen enkelvoudige tonen, maar hele liedjes schuil. Inderdaad: één druk op de knop en daar klinkt onmiddellijk en foutloos ‘Boer daar ligt een kip in het water’. Handig, want dan kan het kind ondertussen iets anders gaan doen, in plaats van zelf, al blunderend, te moeten zoeken naar de klanken die nodig zijn om het riedeltje zuiver te laten klinken. Maar waar zou dit ‘iets anders doen’ voor de gemiddelde vierjarige uit kunnen bestaan? Ik heb geen idee.
Wel weet ik dat ongelooflijk veel speeltjes, maar ook televisieprogramma’s, computergames en zelfs lesmethodes de indruk wekken dat ze niet per se gemaakt zijn door mensen met haast, maar dan toch voor mensen met haast.

Opwarmen
Dat volwassenen baat hebben bij zaken die het leven vergemakkelijken, is nog begrijpelijk. Die ene keer dat je laat thuis bent van je werk en in de avond nog moet vergaderen, is het fijn dat je een gezonde kant-en-klaarmaaltijd in de magnetron kunt opwarmen, of thuis iets kunt laten bezorgen dankzij internet. Ook hier kun je je overigens afvragen hoe het mogelijk is dat alle gemak toch niet geleid lijkt te hebben tot bijvoorbeeld een bloeiend geestelijk leven – er zou door alle praktische uitvindingen toch heel veel tijd over zijn voor zogenaamd ‘belangrijker’ dingen? Maar in de benadering van kinderen is het echt een argument van lik m’n vestje om te stellen dat ze haast hebben en daarom dus geen aandacht meer willen opbrengen voor verdieping, complexiteit en herhaalde oefening.
Het zijn ouders, opvoeders en leerkrachten die graag snel beloond willen worden met een uitbundige lach, en even snel willen kunnen merken en nameten wat hun investeringen in het kind hebben opgeleverd. Soms om daarmee te kunnen pronken bij andere volwassenen, vaker om het gevoel te hebben dat het kind zijn leventje echt leuk vindt, geniet, en snel veel kennis en vaardigheden opdoet waardoor het zich, alweer, in ieder geval niet gauw hoeft te vervelen en de weg weet in een reusachtig aanbod van mogelijkheden.

Ik zal niet de enige zijn die zich als kind regelmatig heeft geërgerd aan de pedagogische toevoeging ‘voor je eigen bestwil’. Maar ik weet nu, op mijn eenenveertigste, wél dat bepaalde lesjes, verhalen, (straf)maatregelen en sociale gebruiken op school, en de taken en vaste rituelen thuis mij positief hebben gevormd – ook al vond ik sommige dingen als kind belachelijk, zinloos, oninteressant of stomvervelend. Pas nu constateer ik soms met verbazing hoe sommige leerkrachten in het lager en hoger onderwijs de weg wisten in mijn karakter, om daar kiemen te leggen voor vruchten die ik nu pas kan oogsten. Ze richtten zich niet altijd tot de zeven-, tien- en zeventienjarige vóór zich, maar vaak ook tot degene die ik nu ben, en die een enkeling kennelijk al in mij vermoedde. En anders hielden zij wel rekening met de mogelijkheid dát -.
Destijds heb ik deze mensen luidruchtig laten weten dat hun aanpak saai, te moeilijk of niet passend bij de tijd was, en als ze met mijn ‘eigen bestwil’ op de proppen kwamen, was het huis of klaslokaal te klein. Maar dan nog zwichtten ze niet. En bleven ze geloven in het belang van de kennis die ze op mij, op ons overbrachten – terwijl ze tegelijkertijd tegen de klippen op bleven geloven in de volwassenen die er in ons, de aan hen toevertrouwde kinderen, schuilgingen. Dat geloof was sterker dan hun bekommernis om hun eigen imago, dan de behoefte aan onze lachjes en complimenten, dan hun wens om direct resultaat te boeken.

Feestelijke verpakking
Zoals iedere puber (maar ook iedere volwassene!) de vleesgeworden verstopplaats is van een aandoenlijk ontvankelijk, leergierig kind, zo is ieder schattig kindje de feestelijke verpakking van een verrassing – die ook wel volwassene wordt genoemd. Niet meer, en niet minder dan dat.
Natuurlijk heeft ieder kind recht op een fijne jeugd, op lesstof en ontspanning die bij hem past, op prikkelende uitdagingen en het gemoed voedende en opvoedende geborgenheid. Maar voor de bestwil van de nog mysterieuze volwassene in hem of haar, mag het ook in aanraking komen met taal, met kunstzinnige vormen, met muziek, met complexe informatie en hoogstaande morele impulsen die hem niet één, twee, drie iets zeggen. Die unzeitgemäss zijn, tijd kosten, tot gapen uitnodigen, op de zenuwen werken, zinloos lijken, toch niets ‘opleveren’. Zeker niet morgen al.
Juist kinderen kun je van alles langdurig, intensief, diepgaand en uitgebreid aanreiken: ze hebben toch geen haast. Ze hebben toch nog niet iets anders, iets belangrijkers te doen in de ‘tussentijd’. Of het moet televisiekijken zijn, telefoneren, computeren, snoepen, snacken.
Want dat zoveel kinderen te dik zijn, komt niet nergens vandaan. Als je nergens meer je tanden in hoeft te zetten, als je handen in hun mouwen kunnen blijven, ga je snaaien om toch maar bezig te blijven. Geestelijke honger, lege calorieën, te veel wat licht verteerbaar is, of dat wel even vult, maar voor de lange termijn niet opbouwend blijkt.
En wat doen we met die vetzucht? De symptomen bestrijden met wat extra sport en spel.
Een uurtje langer apenkooien. Leve de evolutie.

Désanne van Brederode is filosoof en schrijver. Haar roman ‘Hart in hart’ (2007) werd bekroond met de Gerard Walschap Literatuurprijs. Recentelijk verscheen ‘Stille zaterdag’.