Nieuwe kans voor bloedverdunner

1 maart 2008

Omvangrijke studies naar nieuwe bloedverdunners – die in gebruik prettiger zijn voor de patiënt – schieten de laatste jaren als paddestoelen uit de grond. Tot nu toe doorstond echter geen enkel middel de klinische vergelijking met bestaande antistollingsmedicijnen. De internationale Amadeus studie naar idraparinux, aangevoerd door het AMC, werd zelfs eerder afgebroken. Onlangs verscheen een publicatie daarover in The Lancet. Maar volgens de onderzoekers hoeft het middel zeker niet in de prullenbak.

Er lijkt een ware wedloop gaande: wie slaagt er als eerste in om een volwaardig, patiëntvriendelijker alternatief te vinden voor de huidige antistollingsmiddelen? ‘Dat komt omdat we het proces van de bloedstolling steeds beter begrijpen’, legt hoogleraar Inwendige Geneeskunde in het bijzonder de vasculaire geneeskunde Harry Büller uit. Hij is een van de aanstuurders van een multicenter studie naar het nieuwe medicijn idraparinux. ‘Je kunt op verschillende stappen in het stollingsproces ingrijpen, en dat levert veel nieuwe stoffen op.’
Die middelen zijn welkom, want hoewel de in 1930 ontwikkelde bloedverdunners goed werken, kleven er praktische nadelen aan. Neem de vitamine K antagonisten, die bij miljoenen mensen ter wereld voor langere tijd toegediend worden om beroertes en hartinfarcten te voorkomen. Het risico op een stolsel dat plots een bloedvat afsluit vermindert er aanzienlijk door, maar het effect van deze medicijnen wordt door een heleboel zaken beïnvloed: het dieet, andere ziektes waaraan de patiënt lijdt en overige geneesmiddelen die hij slikt. Al deze factoren kunnen de kans op bloedingen of onderdosering vergroten. Daarom moeten mensen die vitamine K antagonisten krijgen nauwkeurig gevolgd worden. En dat betekent heel vaak prikken bij de trombosedienst om de hoeveelheid medicijn in het bloed te bepalen en het regelmatig bijstellen van de dosis. Patiënten slikken tussen de twee en acht pillen per dag.
Erg onhandig, dus zien farmaceuten wel brood in alternatieven waarbij al die bloedcontroles niet nodig zijn. Eén van de middelen die het afgelopen jaar in een internationale klinische studie werden getest is idraparinux, een medicijn dat het eigen antistollingssysteem versterkt. Op papier een ideale kandidaat. Büller: ‘Het middel hoeft maar één keer per week via een onderhuidse prik te worden toegediend. Bovendien is een intensieve controle van de patiënt niet langer nodig.’

Mislukkingen
Idraparinux werd toegediend aan patiënten met boezemfibrilleren, een hartkwaal waarbij stolsels ontstaan die een beroerte kunnen veroorzaken. Deze aandoening treft ongeveer één procent van de volwassenen en is een typische ouderdomskwaal: tien procent van de tachtigplussers lijdt eraan.
De bedoeling was om rond de tienduizend patiënten bij het onderzoek te betrekken, waarbij de effectiviteit en veiligheid van idraparinux vergeleken werd met die van vitamine K antagonisten. Maar nadat 4576 mensen geïncludeerd waren, trok de Data Safety Monitoring Board, een onafhankelijk comité van wetenschappers die de veiligheid nauwgezet volgen, aan de bel. Hoewel de sterfte in beide patiëntengroepen nagenoeg gelijk was, traden er onder mensen die idraparinux kregen 346 bloedingen op, tegen 226 in de groep die vitamine K antagonisten slikte. Een te groot verschil, was het oordeel, en de studie werd gestaakt. In The Lancet van 26 januari publiceerden Büller en zijn collega’s de resultaten, waarbij het blad een commentaar plaatste waarin nog meer recente mislukkingen opgesomd werden van antistollingsmiddelen voor mensen met boezemfibrilleren.

Dosis aangepast
‘Een verdrietig verhaal in The Lancet, en zelf had ik ook goed de pest in. Toen de trial stopte, kwamen er brieven van patiënten die schreven dat ze het zo jammer vonden. Ze misten het gemak van één onderhuidse prik in de week en haatten het vitamine K regime’, vertelt Büller. Toch kreeg deze studie nog een staartje. ‘Het nieuwe middel werkte om te beginnen net zo goed als vitamine K antagonisten. Maar voor een deel van de patiënten, zeventigplussers en degenen met een verstoorde nierfunctie, was de toegediende dosis te hoog. En dat veroorzaakte die bloedingen. Omdat het zo’n welomschreven groep is waarbij idraparinux minder gunstig uitpakt, zijn we afgelopen december een nieuwe studie begonnen. Hierbij is voor deze patiënten de dosis aangepast.’
Ook op een ander vlak zat het de onderzoekers mee. Zo bleek het voordeel dat idraparinux een week lang actief is in het lichaam, in de praktijk soms onhandig. Büller: ‘Als je vandaag een injectie krijgt maar morgen plots geopereerd moet worden, wil je natuurlijk van die antistolling af, anders krijg je problemen met bloedingen. Daar is nu iets op gevonden: een eiwit dat aan het middel bindt en het zo inactief maakt. Eén injectie daarmee en de bloedverdunner werkt niet meer. Door deze ontwikkelingen heeft idraparinux dus nog een toekomst.’

Irene van Elzakker

Deel dit |