Schatgraven naar een bacterie

1 september 2008

‘De witte jongen’, noemt de lokale bevolking de heuvel op zo’n dertig kilometer van de Turks-Syrische grens. Al meer dan twintig zomers wordt er door Nederlandse archeologen gegraven. Dit jaar reisde AMC-anatoom en embryoloog Roelof Jan Oostra met hen mee om te assisteren bij onderzoek naar menselijke resten. Ruim honderd skeletten werden tot nu toe blootgelegd, én een flink aantal intrigerende archeologische raadsels.

Hij liet een baard staan en gooide z’n dagritme radicaal om. Half vijf op, kwart voor vijf aan het ontbijt, half zes op de werkplek. Het kon niet anders. ‘In de loop van de ochtend liep de temperatuur op tot een graad of dertig, aan het eind van de werkdag, rond twee uur, wees de thermometer met gemak veertig graden in de schaduw aan.’

Eind mei vertrok Roelof Jan Oostra voor vijf weken naar Noord-Syrië. Samen met fysisch antropologe en archeologe Liesbeth Smits van de UvA en een team van Leidse archeologen en archeologiestudenten onderzocht hij tientallen skeletten uit een neolithisch grafveld. Op de vindplaats, de tell (heuvel) Sabi Abyad (Arabisch voor ‘witte jongen’) wordt al sinds 1986 gegraven onder leiding van hoogleraar Peter Akkermans. In de loop der jaren legden oudheidkundigen er een Assyrisch fort bloot (uit circa 1200 voor Chr) en prehistorische dorpen uit het zesde en zevende millennium voor onze jaartelling. Vorig jaar stuitten zij op de resten van een begraafplaats van circa achtduizend jaar oud. Inclusief menselijke overblijfselen, en dat betekent in Nederland dat standaard de hulp van een fysisch antropoloog wordt ingeroepen. In dit geval Liesbeth Smits, die Oostra uitnodigde om mee te gaan. ‘Een uitgelezen kans’, vond de anatoom en embryoloog. ‘Als onderwijsman wil ik graag de grenzen van mijn vak verkennen. En zo veel verschillende skeletten bij elkaar, van uiteenlopende leeftijden en met verschillende aandoeningen, dat zie je niet vaak.’

Kort na hun terugkeer vertellen Oostra en Smits over hun ervaringen. De Nederlandse opgraving in Syrië ademt jongensboekenromantiek. Maar dan wel voorzien van een solide wetenschappelijke basis en een high tech randje – begrippen als isotopenonderzoek en DNA-sample kwamen in de omnibussen van weleer beslist niet voor. Hieronder drie voorproefjes van wat wel eens een, ongetwijfeld succesvolle en langlopende avonturenreeks zou kunnen worden.

Het geheim van de Bokito’s
‘Een stuk of vijf hebben we er gevonden, allemaal mannen van in de twintig’, vertelt Smits. ‘Robuuste kerels, wat grofgebouwd – we noemden ze niet voor niets naar de meest bekende gorilla van Nederland.’ En bovendien met hetzelfde opvallende kenmerk: ‘Hun benen waren na de dood gebroken. Maar waarom?’

Analyse van gebitselementen moet opheldering verschaffen. ‘Als het tandglazuur intact is heb je kans dat je ook nog het onderliggende dentine kunt extraheren – een prima bron van DNA. Daarnaast doen we isotopenonderzoek, wat informatie oplevert over de chemische samenstelling van de botten en het tandglazuur, lees: het voedingspatroon en de herkomst van de betreffende persoon. Combineren we de resultaten van deze onderzoeken bij meerdere mensen uit de nederzetting, dan verschaft dat aanwijzingen over origine en verspreidingspatronen. Wat aten de bewoners van de tell, en was dat voedsel te vinden in hun directe omgeving? Waar kwamen ze vandaan? Kende de gemeenschap ook immigranten? Trouwde men met mensen uit de eigen streek, of ging de voorkeur uit naar vrouwen, of misschien juist mannen, die van elders kwamen?’ Werkhypothese over de geheimzinnige Bokito’s: het waren vreemdelingen, indringers wellicht. ‘Misschien zijn hun benen wel gebroken om te voorkomen dat ze óóit nog zouden kunnen lopen. Zelfs niet in een leven hierna.’

Het raadsel van de brandende harten
‘Bij de eerste denk je: het zal wel. Maar stuit je daarna op een tweede, derde en vierde, dan krab je jezelf toch even achter het oor. Wat is hier aan de hand?’ Oostra doelt op de vondst van een aantal skeletten met een intacte maar zwartgeblakerde borstkas. Let wel: aan de binnenkant. ‘Zijn ze in brand gestoken bij een soort van crematie? Nee, want dan zouden de brandsporen ook aan de buitenkant van het lichaam zitten, en op de armen en benen. Daar is niets te zien. Het kan dan ook bijna niet anders of er is – waarschijnlijk via de buikholte – iets gloeiends naar binnen gebracht wat de blakering heeft veroorzaakt.’

Samen met Smits speculeert hij over de mogelijkheid van een ‘primitief soort hartoperatie’. Smits: ‘Uitgevoerd bij zowel mannen als vrouwen, de meeste niet al te jong. Ze zijn met zorg begraven, kregen waardevolle giften mee. We vermoeden dan ook dat het gaat om mensen met een zeker aanzien binnen de gemeenschap.’ Oostra: ’Laten we aannemen dat hun dood ontreddering veroorzaakte. Het is goed voorstelbaar: leidersfiguren, het ene moment nog levend en warm, het volgende ogenblik liggen ze koud en stil op de grond. Dat het hart iets te maken heeft met leven en dood was waarschijnlijk bekend. Misschien heeft men geprobeerd om die notabelen kunstmatig weer tot leven te wekken door opwarming van buitenaf. Eerst het oude hart eruit, dan een neolithisch kunsthart van gloeiende kolen erin. Nee, we weten het natuurlijk niet zeker. Maar bij gebrek aan een betere verklaring houden we het maar even op brandende harten als middel om de dood te overwinnen.’

Het mysterie van het verlaten dorp
Uniek binnen de archeologie van het gebied, noemt Smits het. Een grote, holle peul van klei, voorzien van horens en met skeletten van dieren erin. Gevonden op de overblijfselen van een verbrande nederzetting. ‘Willens en wetens in de fik gestoken, daarna verlaten.’ Intrigerend. ‘Onwillekeurig vraag je je af: waren de mensen die dit gedaan hebben ergens bang voor? En heeft die angst iets te maken met die rare skeletten die we hebben gevonden?’

Normaal gesproken begroef men de doden in de slaaphouding; op de zij en met opgetrokken armen en benen. Niet zelden kregen ze wat mee voor in het hiernamaals. Ook in Sabi Abyad zijn veel van dergelijke lichamen aangetroffen, maar ook skeletten in een afwijkende houding. ‘Niet op hun zij, maar direct begraven in de positie waarin ze waarschijnlijk zijn overleden’, licht Oostra toe. Meest in het oog springend is de overstrekte nek bij al deze doden. ‘Het lijkt op meningitis (nekkramp). Daarbij zijn de hersenvliezen sterk geprikkeld en zeer gevoelig. Patiënten zoeken naar een houding waarin de spanning op de vliezen afneemt. Ze zijn geneigd het hoofd daarbij zo ver mogelijk naar achteren te buigen – vandaar ook de naam.’ Omdat er zowel volwassenen als kinderen in de karakteristieke houding liggen, zou het om een bacteriële variant van de ziekte kunnen gaan, veroorzaakt door de meningokok. Andere vormen treffen vaak maar één specifieke leeftijdsgroep.’

Ook hier moet DNA-onderzoek uitsluitsel geven. Oostra: ‘We gebruiken monsters uit beenmerg. Natuurlijk kan de buitenkant van botten ook DNA van de meningokokken-bacterie bevatten. Maar dat zegt helemaal niets over de doodsoorzaak. Heel veel mensen dragen namelijk, overigens zonder dat ze daar iets van merken, de meningokok als commensaal mee in de neusholte. Ongemerkt zouden ze oude botten kunnen “besmetten” met modern bacterieel materiaal. Beenmerg heeft dat nadeel niet; het oude DNA zit opgesloten en blijft in principe prima bewaard. Dat weten we uit archeologisch onderzoek naar runderbotten. Daarin kon men na zeventienduizend jaar nog altijd DNA van de tuberkelbacil (de veroorzaker van tbc) aantonen.’

AMC-bacterioloog en meningitisdeskundige Arie van der Ende neemt de analyse van de neolithische botmonsters voor zijn rekening. Lukt het om bacterieel materiaal te isoleren en blijkt dat inderdaad van de meningokok afkomstig, dan zien Oostra en Smits hun theorie bevestigd. Voorlopig moeten ze het echter doen met circumstantial evidence. Oostra: ‘Bij de meeste slachtoffers ontbreken grafgiften. Ze liggen begraven aan de randen van het grafveld, ver van het centrum van de nederzetting. Soms met meerdere individuen in één graf – een aanwijzing dat ze wellicht tegelijkertijd zijn overleden. Iemand zien sterven aan nekkramp is geen prettig gezicht. Misschien dacht men wel aan bezetenheid of het werk van geesten. In ieder geval lijkt het er op dat de gemeenschap snel van de doden af wilde. Gauw dumpen en – ook letterlijk – zand erover.’

Smits: ‘Skeletonderzoek geeft aanwijzingen over lengte, geslacht, voedingstoestand en niet te vergeten de leeftijd van de overledene. Onder ouderen en zuigelingen verwacht je de meeste sterfte – een curve met aan het begin en het eind een piek. De groep daar tussenin – de leeftijdscategorie van 15 tot 25 à 30 jaar oud – is in principe het gezondst. Maar juist uit deze groep vinden wij relatief veel skeletten. Binnen de archeologie spreken we dan van catastrofale sterfte. Opvallend, maar wel passend bij wat wij hier onderzoeken: woedde er in deze enclave zo’n achtduizend jaar geleden een nekkramp-epidemie?’

Andrea Hijmans

Zie voor meer informatie over de opgraving: www.sabi-abyad.nl. Het archeologisch onderzoek in Noord-Syrië wordt uitgevoerd door de Universiteit Leiden i.s.m. het Rijksmuseum van Oudheden (RMO), eveneens in Leiden. SHELL Syrië is één van de sponsoren.

Deel dit |