‘We zitten in Nederland op goud’

1 september 2010

Na bijna tien jaar de allerhoogste functie in het AMC te hebben bekleed, neemt Louise Gunning afscheid. Terugblikkend constateert ze dat er veel is om trots op te zijn. ‘Nederland is heel goed in medisch-wetenschappelijk onderzoek. We zitten hier op goud.’

De unieke ligging van het AMC in een gekleurde buitenwijk van Amsterdam, dat is iets wat scheidend bestuursvoorzitter Louise Gunning als bijzonder heeft ervaren. Voor de verhuizing naar de polder waren het Wilhelmina Gasthuis en het Binnengasthuis typische binnenstadsziekenhuizen met de typische grote-stadsproblematiek, waaraan nog vaak met enige romantiek wordt teruggedacht. Medisch gezien helemaal verleden tijd, zegt Gunning, die in september voorzitter wordt van de Gezondheidsraad. ‘De omgeving van het AMC is heel boeiend, want de interessante grote-stadsproblematiek zit nu hier in Zuidoost. Je vindt bij geen enkel ander ziekenhuis in Nederland zo’n kosmopolitische populatie om de geneeskunde op te beoefenen.’

En dat heeft zijn vruchten afgeworpen. Gunning kijkt met voldoening terug op een periode waarin ze als voorzitter van de Raad van Bestuur van het AMC belangrijke onderwerpen voor de volksgezondheid binnen de muren van de betonnen kolos wist te halen. De diverse bevolking van de Bijlmermeer biedt het ziekenhuis de mogelijkheid om de vleugels uit te slaan, is haar overtuiging.

‘Je kunt als AMC geen goede zorg leveren in je directe omgeving als je niet weet wat de verschillen zijn tussen de verschillende etnische groepen wat betreft de gezondheid, het voorkomen van specifieke ziektes en de reactie op bepaalde geneesmiddelen. Wij hebben kennis opgedaan over de Ghanese, Marokkaanse, Turkse, Creoolse en Hindoestaanse bevolkingsgroepen, omdat het AMC heeft gezegd dat we er ook zijn voor de mensen in de directe omgeving van het ziekenhuis.’

Breed AMC

Ze roemt het voortreffelijk vormgegeven netwerk van huisartsenpraktijken in de wijk, waarvan de gegevens naast die van praktijken in Nederhorst den Berg en Almere neergelegd worden, zodat er een goede vergelijking kan worden gemaakt tussen autochtone en allochtone bevolkingsgroepen. Daarmee heeft het AMC ervoor gekozen om een breed AMC te zijn, zegt ze. ‘Dit heb ik in mijn tijd als divisievoorzitter en hoogleraar Sociale Geneeskunde neergezet en verder uitgebreid. Dat betekende ook dat tien jaar geleden de stap naar de hoogste functie in het AMC niet zo groot was.’

Het AMC beheert inmiddels het Helius-cohort, een groep van zestigduizend mensen afkomstig uit zes etnische groepen, waarin gekeken wordt naar verschillen. Binnenkort worden interessante uitkomsten daaruit verwacht. Ook levert de nabijheid van de rijke schakering aan bevolkingsgroepen veel kennis op. ‘Je ziet hier sikkelcelanemie (vorm van bloedarmoede die veel in Afrika voorkomt, red.), je ziet hier malaria. Kennis die je hier opdoet, kun je meteen in Afrika gaan toepassen en dat doen we ook.’

Zelf zou ze best in dat Helius-cohort willen duiken als onderzoeker. ‘De relatie tussen ziekte en genetica is heel wat ingewikkelder dan we tien jaar geleden dachten. Je hebt variatie in de bevolking nodig om dat goed te onderzoeken, en die hebben we hier voor de deur.’ Maar ze is ook bescheiden. ‘Mijn kennis is inmiddels verouderd, bovendien ben ik geen clinicus. Maar tijdens alle werkplekbezoeken die ik hier in het ziekenhuis aflegde, dacht ik vaak: dat is ook leuk om te doen.’ Ze noemt de biochemie, de gynaecologie, de cardiologie. ‘In het AMC vindt zo veel ontzettend spannend onderzoek plaats. Ik zou geen echte plek kunnen kiezen.’

Onvoldoende waardering

Gunning kijkt met bewondering en trots terug naar alle research bij het AMC en de andere universitair medische centra (umc’s). ‘Nederland is heel goed in medisch-wetenschappelijk onderzoek. Dat wordt als zo vanzelfsprekend ervaren dat er niet meer zo veel aandacht voor is. Dertig procent van de wetenschappelijke productie uit Nederland is medisch en de geneeskundige publicaties worden veertig procent vaker geciteerd dan het wereldgemiddelde. We zitten hiermee in de top. Alleen de kernfysici doen het beter, een heel kleine onderzoeksgroep. We zitten in Nederland op goud, en dat komt doordat er van oudsher veel is geïnvesteerd in onderzoek waarvan niet meteen resultaat wordt verwacht.’

Maar of dit zo blijft is afwachten, dat weet Gunning als geen ander. Ze vindt dat er de laatste tijd onvoldoende waardering is voor wetenschappelijk onderzoek en dat ook het geld achterblijft. ‘Er is een kamerbrede motie aangenomen dat we in de topvijf willen staan van de kenniseconomieën in de wereld. Dan moet je durven investeren.’

Ze vindt het zorgelijk dat het geld uitblijft, want klinisch wetenschappelijk onderzoek levert direct een vertaalslag op naar de praktijk. ‘Van nieuwe geneesmiddelen en nieuwe apparaten die hier worden getest en zinvol lijken, hebben we meteen profijt. Bijna niemand realiseert zich dat de kwaliteit van de zorg hierdoor ontzettend verbetert.’

Daarnaast is er uit nieuwsgierigheid gedreven onderzoek, dat niet meteen iets oplevert, maar wel tot innovatie en banen leidt. Daar moet Nederland uitkijken, meent Gunning. ‘Er is een goede positie behaald, maar de eerste geldstroom, van de overheid en de universiteiten, die ons in staat stelt langetermijn-investeringen te doen, staat onder druk.’

Youtube

Gunning ziet dat ook de wetenschap zelf onder druk staat. Het publiek gelooft vaak niet wat in de onderzoekstempels wordt bedacht en ontdekt. De mening van iemand die over een onderwerp wat bij elkaar heeft gegoogled, weegt even zwaar als iemand die jaren in het vakgebied werkzaam is. Haar oplossing: duidelijk maken dat wetenschap anders is dan een mening.

En dat valt nog niet mee. ‘Het is moeilijk om aan meisjes van veertien uit te leggen dat een HPV-vaccin ter voorkoming van baarmoederhalskanker beoordeeld moet worden op wetenschappelijke gronden en niet via Youtube-filmpjes of weet ik wat. Wetenschap is een beetje als moderne kunst. Iedereen denkt dat zijn vierjarig zoontje net zo mooi kan schilderen. Dat blijkt dan bij nader inzien tegen te vallen. Ook in mijn nieuwe baan bij de Gezondheidsraad is het overbruggen van de kloof een uitdaging waarmee ik aan de slag moet. En het AMC heeft de verantwoordelijkheid om het belang van de wetenschap duidelijk te maken aan het publiek dat er niet dagelijks mee te maken heeft.’

Ze heeft vertrouwen in de verdere samenwerking tussen de universiteiten in Nederland. Concurrentie hoeft niet altijd, en hoort niet altijd, vindt ze. Integendeel: ‘Ik denk dat de samenwerking van de umc’s ons een voorsprong gaat geven in de wereld.’ Ze noemt in dit verband het Parelsnoer-project waarin de samenwerking gestalte krijgt. ‘Het AMC is goed in darmziekten. Samen met de zeven andere umc’s is een biobank gesticht en dat werkt goed. We zijn met de andere universitair medische centra bij elkaar gaan zitten met de vraag: ‘Welke patiëntengroep is voor elk van jullie van groot belang?’

Iedereen koos, om het simpel te houden, een ziekte. Rotterdam kwam met leukemie, en zo had ieder ziekenhuis een aandachtspunt. Nu coördineert het AMC de gegevens van patiënten met darmziekten met die van de andere umc’s, en doet Rotterdam hetzelfde met de gegevens over leukemiepatiënten. Zo heeft elk ziekenhuis de leiding over een groep academische onderzoekers op zoek naar de beste behandeling voor een ziekte. Gunning: ‘De umc’s hebben toegezegd dat ze patiëntgegevens zullen uitwisselen. Dit heeft een grote stimulans gegeven aan de samenwerking van de ziekenhuizen. Je hebt elkaar allemaal wat gegund.’

En deze samenwerking zal de positie van Nederland in de medisch-wetenschappelijke wereld versterken. De umc’s onderling vergelijken hoeft niet, vindt Gunning. ‘Leuk, maar niet meer dan het staren naar binnen. De academische ziekenhuizen moeten samen Nederland op een aantal terreinen naar de wereldtop brengen.’ Ze noemt het verloskundig consortium, een samenwerking tussen de academische en dertig andere ziekenhuizen op het gebied van research rond de geboorte. Het onderzoeksgeld wordt gezamenlijk besteed. Niet zonder trots: ‘Dat leverde een bezoekje op van de National Institutes of Health uit Washington. Waarom kan zoiets bij ons niet?, vroegen de Amerikanen zich af.’

Researchcode

De academische vrijheid is een ander punt waarover Gunning en het AMC zich de afgelopen jaren hebben gebogen. Nu de geldstroom van de overheid minder wordt, krijgt het bedrijfsleven meer invloed. Willen we dat? ‘Ik denk dat de academische vrijheid beter is gewaarborgd dan tien jaar geleden en dat komt doordat we ons bewust zijn van de risico’s. Het belang van onafhankelijke wetenschap hebben we met elkaar opnieuw kunnen benoemen en we hebben tegelijkertijd gezegd: samenwerking met de industrie is essentieel om kennis om te zetten in een product dat toegankelijk is voor patiënten.’

Ze noemt de ziekte van Gaucher, een zeldzame stofwisselingsziekte. Als in het AMC een nieuw stofje is gevonden dat effect kan hebben bij patiënten, dan kan het AMC dat niet zelf produceren. Het mogelijke medicijn moet het hele traject in bij de industrie, want als het niet wordt uitgetest bij patiënten dan heb je niets om op de markt te zetten. ‘Die interactie met de industrie moet er zijn’, is haar overtuiging. ‘We zijn elkaars vijand niet, maar we moeten goed kijken welke belangen we hebben. De belangen van de industrie zijn anders dan die van een academisch onderzoeksinstituut. Soms kan dat samen gaan, maar je moet het goed bewaken.’

Het AMC heeft daarom een researchcode opgesteld. Ook hebben we het Bureau Kennistransfer, waar experts erover waken dat de onderzoekers hun onafhankelijkheid niet kwijtraken, en dat onze patiënten die meewerken aan een trial of materiaal leveren voor een biobank, zeker weten dat wat zij bijdragen, primair wordt gebruikt om kennis te vergaren, niet om geld te verdienen. Er is een spanningsveld, jazeker. ‘Het is beter om dat te benoemen en daar afspraken over te maken dan te denken dat het wel goed zal komen. Ik denk dat we dat nu beter hebben geregeld dan tien jaar geleden.’ Ze durft het AMC met een gerust hart achter te laten.

Marc van den Broek

Deel dit |