Wetenschap voor iedereen

1 april 2013

Vrij toegankelijke publicaties op internet - open access - knagen aan de positie van bestaande wetenschappelijke toptijdschriften. Begrijpelijk, vindt vrijwel iedereen, want publieke kennis hoort gratis toegankelijk te zijn. Die redenering botst echter op een weerbarstige praktijk, stellen AMC’ers die zich hebben verdiept in het onderwerp. De echte discussie begint pas.

Op dit moment is the Public Library of Science (PLoS) waarschijnlijk de belangrijkste open access-uitgever ter wereld. In oktober 2003 lanceerde deze uitgever PLoS Biology, zijn eerste gratis toegankelijke tijdschrift. Daarna volgden in rap tempo nog zeven andere PLoS-bladen. De ‘gratis’ tijdschriften worden gefinancierd doordat de auteurs (of de instellingen waar zij werken) betalen voor de artikelen die ze in deze uitgaven publiceren.
Het achterliggende idee van open access - gratis beschikbaarheid van research - is even simpel als verleidelijk. Direct of indirect leveren de maatschappij en haar burgers het geld voor het overgrote deel van het wetenschappelijk onderzoek. Dan is het toch vreemd als die kennis achter de betaalmuren verdwijnt van uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften? De resultaten zouden gewoon voor iedereen gratis toegankelijk moeten zijn.
Die redelijke redenering botst echter al jaren op een complexe, weerbarstige werkelijkheid. Want jazeker, open access groeit en heeft veel medestanders. Begin maart 2013 spraken op de website www.thecostofknowledge.com bijvoorbeeld al meer dan 13.000 wetenschappers zich uit tegen het tollAccess (op abonnementen gebaseerde) businessmodel van uitgeverij Elsevier. Aan de andere kant blijven veel onderzoekers hun artikelen gewoon aanbieden aan topbladen zoals the Lancet, Science, Nature en de New Engeland Journal of Medicine (NEJM), waar volledige toegang tot publicaties alleen mogelijk is via een abonnement.
Die keuze voor de toptijdschriften is ook goed verklaarbaar, meent Tom van der Poll, internist/infectioloog en voorzitter van de Research Council: ‘Als je aan mij als wetenschapper vraagt of ik liever in PLoS One of in NEJM publiceer, dan toch liever in NEJM. Vrijwel al mijn collega’s zullen dat zeggen. Dat heeft te maken met kwaliteit, aanzien, prestige, publicatie-index en citatiescores. Een NEJM-publicatie telt zwaarder mee in de beoordeling van je kwaliteit als wetenschapper dan een PLoS-artikel. Ook instellingen zien hun wetenschappers liever terug in Science en Nature, om precies dezelfde redenen. In eerste instantie speelt wel of geen open access dus niet mee in de keuze voor een tijdschrift.’

Controverse
Klinisch epidemioloog Patrick Bossuyt ziet open access meer als onderdeel van een fundamenteel veranderend onderzoekslandschap. ‘Ik richt me vooral op klinisch wetenschappelijk onderzoek en daar valt op dat een aanzienlijk deel van de research nooit wordt gepubliceerd. Gebeurt dat wel, dan blijft het vaak bij één artikel van pakweg drieduizend woorden. Dat leidt tot verlies en vertekening van onderzoeksgegevens en verspilling van publiek geld. Ik zie dat het onderzoek de komende jaren evolueert naar het zo uitvoerig mogelijk rapporteren over alle fases van de research. Wat je gaat onderzoeken, het onderzoeksprotocol, de gegevens die je hebt verzameld, de analyse, de conclusies, de publicaties; dat moet eigenlijk allemaal transparant. Zodat de gegevens zijn te controleren en onderzoek zonodig herhaald kan worden. Open Access-tijdschriften maken daarvan een essentieel onderdeel uit.’
Bossuyt ziet dat niet alleen gebeuren voor studies met publiek geld, maar voor al het onderzoek. Hij wijst naar de recente controverse over het griepvaccin die vooral door de British Medical Journal werd belicht. Wetenschappers kregen geen onderzoeksgegevens van producent Roche voor een meta-analyse van het vaccin. ‘Die openheid is essentieel en ik verwacht dat de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) en zijn Europese tegenhanger EMA die op termijn ook eisen bij de aanvraag van toelating van nieuwe medicijnen tot de markt’, zegt Bossuyt.
Bossuyt onderschrijft de keuze van wetenschappers voor de beste tijdschriften, die al eerder door Van der Poll werd genoemd. Hij denkt echter dat ook die criteria gaan verschuiven. ‘We moeten wetenschap niet alleen op citatiescores beoordelen’, zegt hij. In mijn vakgebied zou je ook kunnen nagaan of het onderzoek relevant is, of het door ziekenhuizen wordt geïmplementeerd, of het de kwaliteit van leven van patiënten verbetert, etcetera.’

Subsidie
Organisaties als NWO, ZonMW en de European Research Council nemen eveneens actief deel aan het debat door aan toekenning van subsidieaanvragen bepaalde eisen over publicatie in open access-tijdschriften te verbinden. Dat geldt bijvoorbeeld voor het project Healthy Aging Through Internet Counseling in the Elderly (HATICE) dat onlangs een subsidie ontving van de Europese Commissie. Neuroloog Edo Richard, een van de onderzoekers: ‘Een criterium voor subsidie is, dat je waar mogelijk publiceert in Open Access-tijdschriften. Ons onderzoek duurt vijf jaar en we zijn met zeven internationale partners. Als alle partners twee artikelen per jaar willen publiceren, wat niet onredelijk is voor een project van deze omvang, leidt dat al tot een totaal van zeventig publicaties. Als we voor elk artikel in een OA-tijdschrift ongeveer 2000 euro moeten betalen, dan zijn we zo’n 140.000 euro kwijt. Dat bedrag kunnen we onmogelijk van de subsidie af halen.’ En wat eerder al voor onderzoekers en hun instellingen werd gezegd, geldt eveneens voor subsidieverstrekkers: ook zij willen graag publicaties in de (niet-Open Access) toptijdschriften.
Handhaving van de kwaliteitscontrole - ook in open access - vindt Richard cruciaal. De wildgroei aan nieuwe OA-tijdschriften en de bijna dagelijkse verzoeken om daarin te publiceren, baren hem zorgen. Richard: ‘Aan de andere kant zorgt de financiële drempel misschien voor minder publicaties en minder publicatiedrang, die immers wordt gestimuleerd door de manier waarop we nu kwaliteit meten. Tegelijkertijd moeten we dan wel voorzieningen treffen die ervoor zorgen dat goede wetenschappers uit lagelonenlanden kunnen blijven publiceren.’

Stuk duurder
Lieuwe Kool, hoofd van de Medische Bibliotheek wijst op de financiële gevolgen die een acute overschakeling op open access met zich zou meebrengen. ‘Momenteel geeft het AMC ongeveer anderhalf miljoen euro uit voor de toegang tot de wetenschappelijke tijdschriften en collecties van de verschillende uitgevers’, vertelt Kool. ‘Een eerste inventarisatie wijst uit dat alle onderzoekers van het AMC al gauw zo’n vierduizend artikelen per jaar schrijven. Bij een publicatieprijs van duizend euro kom je uit op vier miljoen en ben je een stuk duurder uit dan nu.’
Ook bij een ‘big bang’, waarbij het AMC uitsluitend OA-artikelen gaat publiceren, zal er nog jarenlang een hybride situatie bestaan. Kool: ‘Dan moeten we betalen voor alle publicaties én voor abonnementen op de “traditionele” toptijdschriften, omdat die niet ineens zullen verdwijnen. Als alle topinstituten van de wereld dit gaan doen, dan krijg je de vreemde situatie dat die instellingen samen het grootste deel van de wetenschappelijke informatiestroom betalen. Dat lijkt me niet wenselijk.’
Tegelijkertijd is een tendens zichtbaar waarbij die ‘traditionele’ tijdschriften ook deels gebruik gaan maken van Open Access-artikelen. ‘Er ligt een grote macht bij een beperkt aantal uitgevers en het is niet ondenkbaar dat ze het Open Access-model met succes in hun traditionele tijdschriften gaan verwerken’, zegt Kool. ‘Dat kan positief zijn als het tot meer efficiëntie en goedkopere abonnementen leidt, maar misschien geeft het bestaande uitgevers juist wel een sterkere positie en gaan we zowel voor publicatie als voor toegang betalen.’
Open access krijgt bij vrijwel iedereen de handen op elkaar, maar zodra het op de praktische uitwerking aankomt, ontstaan vragen en problemen. ‘Het dwingt alle betrokkenen aan tafel’, zegt Kool, ‘want we moeten nu echt gaan beslissen wat we ermee willen. Is het publiceren in traditionele én Open Access-tijdschriften in combinatie met het plaatsen van alle AMC-artikelen op de eigen website bijvoorbeeld een optie? Niemand die het antwoord weet, we zullen er met alle betrokkenen aan moeten werken.’

Pieter Lomans