De combinatie topsport en studie: opoffering en succes

Sinds eind augustus mag Erhan Ceylan zich officieel huisarts noemen. Daarmee ging de droom die hij als zesjarige had in vervulling. Met een zilveren medaille op het EK in Portugal nam hij deze zomer ook afscheid van karate op topniveau. Een gesprek op een kantelpunt in zijn carrière. Over de combinatie topsport en studie, een bijzondere sportschool in Zaandam, krakende houten vloeren en ander zaken.

Hoe lang doe je al aan karate?

‘Ik denk dat ik een jaar of vijf was. Mijn oom zat op karate en mijn moeder vond dat ik me op straat moest kunnen verdedigen. Er werd veel gevochten in de buurt. Ik vond het in het begin helemaal niet leuk en ging met tegenzin naar de karatetrainingen. Ik voetbalde veel liever. Maar op een gegeven moment begon ik het leuk te vinden. Ook omdat ik merkte dat ik er best goed in was. Toen ik twaalf was wilde ik eigenlijk al naar Choku Gym, omdat ik bij mijn toenmalige club niet veel meer kon leren. Ik ben er toch nog twee jaar gebleven en ging op mijn veertiende naar Choku, waar ik nooit meer ben weggegaan.’

We hebben afgesproken in de sportschool waar Erhan al 19 jaar komt. In het kleine houten gebouwtje in de wijk Poelenburg in Zaandam gebeurt iets bijzonders. Er wordt op hoog niveau gesport, leden halen aan de lopende band titels binnen, maar van geld, glamour of commercie is geen sprake. De club, bijna 40 jaar geleden opgericht door Ivan Nikolov, drijft op de inzet van een aantal vrijwilligers. De vele bekers, medailles en krantenknipsels in het gebouwtje worden geflankeerd door bijna evenzoveel affiches van acties om geld in te zamelen. Choku gaat om meer dan sport. Het heeft een belangrijke sociaalmaatschappelijke functie in de multiculturele wijk Poelenburg die verder gaat dan alleen karate les geven. Het probeert een middel te zijn om de sociale cohesie in de wijk te verbeteren, ondersteunt scholen, geeft bijles, helpt bij het zoeken naar woonruimte of werk. ‘Als je het je kunt veroorloven, betaal je een tientje per maand, maar zo niet, dan staat de deur ook voor je open’, vertelt Ivan Nikolov, die de club 40 jaar geleden oprichtte.

‘Hoe is het dokter, gaan we vanavond nog trainen of hoe zit dat?’ roept hij Erhan toe. Erhan lacht. ‘Mijn tweede vader’, zegt hij.

Hoe ben je ertoe gekomen om geneeskunde te gaan studeren en huisarts te worden?

‘Ik weet dat nog goed. Ik was een jaar of 6 denk ik. Ik ging met mijn moeder naar de huisarts. Hij had praktijk aan huis in een groot, statig herenhuis. We moesten een trap op en namen plaats in een kamer waar we moesten wachten. Een oud chique huis, krakende houten vloeren, een grote salontafel met tijdschriften: ik keek mijn ogen uit. Toen wij aan de beurt waren zat daar een man achter een groot bureau. Ik was enorm onder de indruk. Van de omgeving, de sfeer, maar vooral ook van die man die daar zat, een paar vragen stelde, wat zinnen uitsprak en zo mijn moeder van haar klacht afhielp. Pure tovenarij vond ik het. En ik wist op dat moment: dat wil ik ook. En dat idee heeft mij nooit meer verlaten.’

Het is niet moeilijk om hem als arts te zien, ook hier in deze omgeving niet. Een aardige jongen. Zachtaardig. Zachte stem. Rustig. Oog voor iedereen die binnenkomt. Een groet, een handdruk. En zelfs als ik hem later tijdens de training bezig zie, ook dan kost het geen moeite om hem te zien als de arts die hij is geworden. Hij is fanatiek maar straalt geen agressie uit. Zelfs in zijn witte pak en in deze context blijft hij de jongen die topsporter en huisarts in zich verenigt.

Hoe moeilijk was dat, de combinatie topsport en studie?

‘Zwaar. Lange dagen. Vijf keer in de week trainen. Hetzij hier of in de gym aan de gewichten. Daar kwamen de wedstrijden nog bij. Plus de rust die mijn lichaam ook nodig had. Voor een sociaal leven bleef soms weinig ruimte over. Studie, sport, ik moest altijd alles plannen. Regelmaat en discipline, ik weet niet beter. Ik doe dat ook al zo lang. Maar zwaar was het wel. Toch kwam het mijn studie ook ten goede. Juist doordat ik altijd zo planmatig te werk ging. Ik probeerde tijdens mijn opleiding in de huisartspraktijk zoveel mogelijk kennis op te doen, zodat ik die bagage al meekreeg. Voor de LHK-toets trainde ik dan een week lang niet en dook ik helemaal in de boeken. Eigenlijk ging dat altijd wel goed. Weet je, ik heb altijd veel gesport. Ik weet niet beter en wilde ook niet anders. Hoe zwaar het soms ook was. Mijn lichaam heeft het nodig. Ook nu nog. Om fit te blijven en fris in mijn hoofd. Als ik na een zware dag thuis kom, bijvoorbeeld na contact met een palliatieve patiënt, dan vind ik het fijn om te sporten en mijn hoofd weer leeg te maken.’

Je hebt jarenlang aan de top meegedaan. Was in 2006 al eens Europees kampioen. Deze zomer haalde je zilver op het EK. Was dat je laatste toernooi?

‘Ik denk het wel,’ zucht hij. En dan: ‘Ja, dit was het, het is mooi geweest. Een mooie afsluiting. Ik ging er niet naartoe met het idee dat ik ver kon komen. Ik had geen wedstrijdritme, had niet zoveel getraind als ik zou willen. Ik dacht zelfs dat ik te zwaar zou zijn voor mijn gewichtsklasse en ter plekke nog een paar kilo zou moeten afvallen. Tot mijn verrassing bleek dat niet het geval te zijn. De eerste ronde was ik vrijgeloot. De tweede begon wat onwennig, maar naarmate partij vorderde ging het steeds beter. De derde was een rommelige partij met een tegenstander die voortdurend het contact zocht. Zo’n type karateka ben ik helemaal niet. Toch wist ik die partij eruit te slepen en zo haalde ik de finale.’

En toen?

‘Toen ik eenmaal in die finale stond begon het te kriebelen. Ik wilde die toen toch wel erg graag winnen: dat zou natuurlijk helemaal een mooie afsluiting zijn. Normaal gesproken ben ik nooit zo met tegenstanders of randzaken bezig. Het kan me niet schelen tegen wie ik op de mat sta of waar het om gaat. Ik kan me daar goed voor afsluiten en concentreren op wat ik moet doen. Misschien lukte dat dit keer minder goed. Het was ook een sterke tegenstander. Hij verraste me twee keer en toen was het afgelopen. Zilver.’ Hij laat me op zijn mobiel het filmpje van de partij zien. Na een minuut of twee krijgt hij een trap van zijn tegenstander op zijn borst. ‘Die zag ik totaal niet aankomen,’ fluistert hij.

Hoe ziet de toekomst er nu uit?

‘Ik heb de opleiding afgerond en ben nu waarnemend huisarts. Ik wilde altijd een eigen praktijk, maar op dit moment wil ik die verantwoordelijkheid nog even niet hebben. Misschien later. Mijn coschappen liep ik in een buurt waarin veel inwoners een migratieachtergrond hadden. Bewust. Ik wilde kijken of ik ook in het Turks patiënten kon helpen. Ik sprak en spreek namelijk niet vaak meer Turks en ik wilde zien of mijn Turks goed genoeg daarvoor was. Na een moeizaam begin was het dat wel en ik vond het een mooi idee dat ik op die manier gebruik kon maken van mijn tweetaligheid. Mensen daardoor beter kon helpen. Dat idee leeft nog steeds.’

En het sporten?

‘Dat zal ik nooit kwijt raken en altijd blijven doen. En ik train jongeren. Dat geeft ook enorm veel energie. Maar weet je, soms als ik over een wedstrijd of toernooi hoor dan begint het weer te kriebelen.’ ‘Maar ik ben 33,’ lacht hij, ‘ik word oud. Te oud voor de top. Het is mooi geweest. Ik ben verloofd. Het wordt tijd om aandacht te besteden aan mijn sociaal leven.’