Wetenschapsagenda 16 december - 20 december 2019

Overzicht van de promoties en oraties van Amsterdam UMC

Dinsdag 17 december 2019
Promotie VU Aula (VUmc), 9.45 uur
Rieky Dikmans: Implant Based Breast Reconstruction: one step at a time.


Seksualiteit lijkt een sleutelfactor te zijn in de kwaliteit van leven van vrouwen en kan sterk worden beïnvloed door de borstamputatie en –reconstructie. Promovenda Rieky Dikmans pleit voor betere voorlichting aan patiënten en hun partners. De behandeling van reconstructieve borstchirurgie na borstkanker heeft de afgelopen jaren flinke ontwikkelingen doorgemaakt, zoals nieuwe chirurgische technieken en materialen. Daarnaast is steeds meer aandacht voor de beoordeling van de patiënt na de borstreconstructie. Dikmans bekeek enerzijds de technische uitkomst (complicaties, veiligheid) van een nieuwe techniek die borstreconstructie met een implantaat in één stap mogelijk maakt. Deze methode maakt gebruik van een matje van varkenshuid dat aan de borstspier wordt vastgemaakt. Door de extra ruimte kan het implantaat in dezelfde operatie worden geplaatst. Aan de andere kant is onderzocht hoe een borstreconstructie door de patiënt wordt ervaren. Daarbij werden esthetiek, kwaliteit van leven en seksualiteit besproken. De borstreconstructie in één stap blijkt nog voor veel complicaties te zorgen en zodoende moet zorgvuldig worden gekeken welke patiënten geschikt zijn voor deze operatie. Verder concludeert Dikmans dat patiënten de esthetische uitkomst van hun borstreconstructie op een andere wijze beoordelen dan door plastisch chirurgen. Een voorbeeld is tepelgevoeligheid, iets dat voor patiënten belangrijk is maar vaak niet in technische meetschalen worden meegenomen. Er moet wat haar betreft voorafgaand aan de operatie naast de technische uitkomsten van de reconstructie meer uitleg gegeven worden over de impact van een borstreconstructie op door patiënten gerapporteerde uitkomsten.
Link naar proefschrift

Dinsdag 17 december
Promotie, VU Aula (VUmc), 13.45 uur
Nienke Scheltens: Subtypes van de ziekte van Alzheimer


De ziekte van Alzheimer, de meest voorkomende oorzaak van dementie, wordt gekenmerkt door verlies van cognitieve functies. Cognitieve functies zijn de hogere hersenfuncties zoals geheugen, taal en ruimtelijk inzicht. Bij alzheimer denken de meeste mensen aan verlies van geheugenfunctie, echter dit verlies kent veel variatie. Bij een deel van de patiënten begint de ziekte juist met klachten van andere cognitieve functies dan het geheugen. Nienke Scheltens heeft onderzoek gedaan naar verschillende cognitieve subtypes van de ziekte van Alzheimer. Ze heeft hiervoor naar de neuropsychologische testscores van grote groepen patiënten gekeken met speciale analysetechnieken. Naast een specifiek cognitief profielen vond Scheltens dat de subtypes verschillen in o.a. leeftijd waarop klachten ontstaan, de plaatsen in de hersenen waar de ziekte zich uit in hersenkrimp (atrofie), de snelheid waarin patiënten verder cognitief verval vertonen en het risico op overlijden in de jaren na diagnose. Voor de patiënt van nu is dit onderzoek naar subtypes belangrijk om alzheimer zo vroeg mogelijk te kunnen herkennen, ook bij een minder klassiek beloop van de ziekte. Tot op heden wordt de ziekte met een minder typisch beloop vaak niet, of te laat, herkend. Daardoor missen patiënten met alzheimer de juiste begeleiding. Ook worden ze vaak tevergeefs voor een verkeerde diagnose (zoals burn-out of depressie) behandeld. Voor de patiënt van morgen kan met de inzichten van dit onderzoek gewerkt worden aan de ontwikkeling van een effectieve therapie op maat. Tevens heeft Scheltens gekeken naar het effect van een medische voeding op de hersenactiviteit bij patiënten met beginnende alzheimer; de NL-ENIGMA studie.

Woensdag 18 december
Promotie VU Aula (VUmc), 9.45 uur
Fabian van de Bunt: Functiebeperking van schouder en arm bij kinderen met zenuwletsel

Een plexus brachialis laesie is een zenuwletsel van de zenuwen die van de nek naar de arm lopen. Door uitval van tenminste een aantal van deze spieren ontstaat een disbalans in de schouder, met als gevolg een flinke beperking van de armfunctie. Promovendus Fabian van de Bunt onderzocht de ontwikkeling van de schouder bij kinderen die dit zenuwletsel bij de geboorte hebben opgelopen. Hij wilde het inzicht in dit letsel vergroten door verbetering van metingen van de vorm van de schouderkop en- kom. “Met een betere analyse kan je gemakkelijker de juiste interventie bepalen.” Het is volgens Van de Bunt heel moeilijk om in te schatten in hoeverre de spieren zijn aangetast. “Het doel van een al dan niet chirurgische behandeling is altijd om de functionaliteit van de arm te optimaliseren.” Vanaf de leeftijd van ongeveer 3 jaar kan de actieve bewegingsvrijheid van de schouder betrouwbaar worden gemeten. Bij jongere kinderen moet de onderzoeker zelf de arm in de gewenste positie brengen om eventuele functiebeperking te beoordelen. Dat gebeurt met een MRI en een nieuw zogeheten 3D reformatteringsprotocol, waarbij de hoek van de schouderkom ten opzichte van het schouderblad nauwkeuriger dan nu kan worden gemeten. Van de Bunt: “Bij blijvende schade zal een neurochirurg met een operatie eerst proberen de zenuwen zo goed mogelijk te herstellen. Vervolgens moet blijken wat de blijvende effecten zijn op de schouder. Bij de behandeling is een nauwe samenwerking tussen de neurochirurgen en de kinderorthopeed/kinderhandchirurg heel belangrijk.”
Link naar proefschrift

Woensdag 18 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 10.00 uur
Jacomine Schoonenboom: Minder aminozuren voor pasgeboren baby’s In de huidige voeding voor pasgeboren kinderen zitten teveel aminozuren.

Door de hoeveelheid essentiële aminozuren te optimaliseren, kan de totale hoeveelheid eiwit in de voeding omlaag. Dit kan een beschermend effect hebben op obesitas, hart- en vaatziektes en diabetes later in het leven. Tot deze conclusie komt Schoonenboom in haar proefschrift over de essentiële aminozuurbehoefte van pasgeborenen. In de allereerste levensfase is voeding een belangrijke factor die het risico op ziektes op latere leeftijd kan beïnvloeden. Dat geldt bijvoorbeeld voor overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten. Vooral het laatste trimester van de zwangerschap en de periode direct na de geboorte, als een kind moedermelk of kunstvoeding krijgt, zijn belangrijke periodes. Zowel teveel als te weinig voeding kan dan het risico op hart- en vaatziekten, overgewicht en diabetes vergroten. Omdat voeding in het vroege leven zo’n belangrijke én beïnvloedbare factor is, is het zinvol om de voeding van pasgeborenen te optimaliseren. Schoonenboom schrijft in haar proefschrift over mogelijkheden om de samenstelling en de manier van toedienen van voeding te verbeteren.
Link naar proefschrift

Woensdag 18 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 14.00 uur
M. Boshuizen: Betere behandeling voor bloedarmoede op de intensive care
Veel ernstig zieke patiënten die op de intensive care liggen krijgen te maken met bloedarmoede. Een specifieke vorm hiervan is ‘anemie of inflammation’ ofwel AI. De afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van bloedtransfusie bij deze kritisch zieke patiënten. Deze studies laten echter zien dat bloedtransfusie schadelijk is voor intensive care patiënten. Onderzoek naar alternatieve therapieën voor bloedtransfusies om anemie te behandelen zijn nog zeer beperkt. Ook is er weinig onderzoek naar de oorzaak van anemie. Boshuizen heeft tijdens haar onderzoek meer inzicht gekregen in het ijzermetabolisme in kritische zieke patiënten met AI. Ze toont aan dat AI mogelijk een aparte entiteit is en dat AI al ontstaat voordat de anemie zich openbaart. Ook denkt Boshuizen dat AI mogelijk gediagnosticeerd kan worden door middel van algemeen beschikbare ijzer-parameters. Dit zou kunnen leiden tot een behandeling van AI nog vóórdat de anemie ontstaat. Ook ontwikkelde Boshuizen een voor de intensive care relevant AI diermodel waarin alternatieve therapieën voor AI getest kunnen worden. Boshuizen vindt dat toekomstig onderzoek zich moet richten op de ontwikkeling van alternatieve therapieën voor AI door het moduleren van het ijzermetabolisme. ‘Ik denk dat het mogelijk is om hiermee het aantal patiënten met AI te reduceren en het aantal rode bloedceltransfusies in kritisch zieke patiënten te verminderen,’ aldus de onderzoekster.
Link naar proefschrift

Donderdag 19 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 10.00 uur
Annemieke Smorenberg: toedienen van vloeistof aan IC-patiënten
Annemieke Smorenberg heeft onderzocht hoe patiënten op de intensive care (IC) op een verantwoorde manier vloeistof toegediend kunnen krijgen. Belangrijk hierbij is te voorkomen dat de patiënten te veel of juist te weinig vloeistof krijgen. Ze heeft een methode ontwikkeld om op een minder of zelfs niet-invasieve manier te onderzoeken hoe een patiënt reageert op de toediening van vloeistof. Ook heeft ze gekeken of het type vloeistof effect heeft op de urineproductie en de zuurgraad van het bloed. Een patiënt die ernstig ziek is of een operatie heeft ondergaan, gaat naar de IC. Daar kunnen artsen besluiten vocht toe te dienen als er een tekort dreigt te ontstaan door bloedverlies, diarree of medicatie. Een vochttekort kan schade geven aan de nieren en andere organen omdat er minder bloed is om alle organen van zuurstof te voorzien. Het toedienen van vocht via een infuus kan dit verhelpen, maar niet iedere patiënt reageert hier goed op. Bij ongeveer de helft is het geven van vocht geen goede methode om de doorbloeding van organen te verbeteren. Smorenberg heeft onderzocht hoe artsen van te voren kunnen voorspellen of vloeistoftherapie al dan niet goed uitpakt voor de patiënt met een zogenoemde mini-vloeistof test. Ze heeft een stapppenplan gemaakt om artsen te helpen wat te doen in die gevallen.
Link naar proefschrift

Donderdag 19 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 12.00 uur
Lorenzo Ball: Betere beademing op de IC
In zijn proefschrift heeft Ball onderzocht hoe de zorg beter kan bij patiënten op de Intensive Care (IC) of patiënten die een algehele narcose hebben gehad. In beide gevallen worden patiënten vaak beademd omdat ze niet zelf kunnen ademhalen. Ball richt zich op de effecten van mechanische beademing bij het ontstaan van schade aan de longen. Hij heeft gekeken naar zwaarlijvig patiënten en patiënten die een operatie hebben gehad aan het hart. Ook heeft hij gekeken naar beademing in de acute zorg en heeft hij in proefdieren onderzocht hoe die longschade ontstaat. Verder geeft hij een overzicht van de beschikbare technieken om de longen tijdens de beademing in beeld te brengen en om te kijken of dat beter kan, zoals via optimalisatie van de computertomografie om de beluchting van de longen te bepalen. Ten slotte keek Ball naar de verneveling bij patiënten die invasieve of niet-invasieve ademhalingsondersteuning krijgen.
Link naar proefschrift

Donderdag 19 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 14.00 uur
Fabienne Simonis: Verbeteringen rondom kunstmatige beademing Simonis heeft onderzoek gedaan naar patiënten die kunstmatig beademd worden.

Deze manier van beademen kan de longen van ernstig zieke patiënten beschadigen. Het is bekend dat invasieve beademing bij patiënten met 'acuut respiratoir distress syndroom' (ARDS) de overlevingskansen verbetert en de beademingsduur verkort. Simonis zocht uit of deze strategie ook zinvol is bij IC-patiënten zonder ARDS met lage vloedvolumes. De promovenda onderzocht onder andere welke factoren een verband hebben met de ontwikkeling van longcomplicaties en de uitkomst bij IC-patiënten zonder ARDS. Ook bestudeerde ze hoe IC-patiënten het best kunnen worden ingedeeld voor het risico op overlijden.
Link naar proefschrift

Vrijdag 20 december
Promotie, VU Aula (VUmc), 9.45 uur
Nienke Nota: Hormoontherapie bij transgenders leidt mogelijk tot verhoogd risico op goedaardige hersentumoren en beroertes


Voor transgender personen is hormoontherapie nodig om van man naar vrouw te gaan of andersom. Uit onderzoek blijkt dat transgendermensen met deze therapie mogelijk een groter risico hebben op het ontwikkelen van goedaardige hersentumoren en beroertes. Nienke Nota onderzocht of transgender mensen met hormoontherapie een groter risico hebben op het ontwikkelen van goedaardige hersentumoren en beroertes. Nota concludeert dat het risico op bepaalde goedaardige hersentumoren groter is bij transvrouwen die langdurig een testosteronremmer gebruiken. Transmannen die testosteron krijgen, hebben een groter risico op goedaardige hersentumoren. Wanneer een transgender persoon een tumor heeft, is het belangrijk om de hormonale therapie te overwegen. Daarnaast vond Nota dat transvrouwen een groter risico hebben op beroertes. Het kan zijn dat toediening van hormonen een ander effect heeft op het lichaam dan wanneer het dit zelf produceert. Daarnaast hebben transgender mensen wellicht een hoger risico op beroertes omdat zij meer stress ervaren en mogelijk een ongezondere leefstijl hebben. Het is goed om hormoontherapie vergezeld te laten gaan van leefstijladviezen en monitoring van bijvoorbeeld bloeddruk om het risico op hart- en vaatziekten zo klein mogelijk te houden.

Vrijdag 20 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 10.00 uur
dhr. M.C. Scheper: aanbevelingen voor behandeling bij hypermobiliteit
hypermobiliteitssyndroom (HMS en EDS-HT) moet zorgvuldig beoordeeld worden. Objectivering van de aanwezigheid van gegeneraliseerde hyperalgesie (een verhoogde gevoeligheid voor pijn) en van multi-systemische klachten is een voorwaarde, omdat deze factoren een grote invloed hebben op het beloop van de functioneringsproblemen. Wanneer de medische diagnose is bevestigd en de belangrijkste klinische voorspellers voor functionele achteruitgang zijn geobjectiveerd en beoordeeld, kan een profiel worden vastgesteld op basis waarvan een gepersonaliseerde behandeling kan worden ingesteld. Deze op maat gesneden behandeling is vaak multidisciplinair, waarbij fysieke en psychologische behandelingen worden gecombineerd. De behandeling dient dan ook gebaseerd te zijn op de huidige wetenschappelijke kennis, het geobjectiveerde klinisch profiel en de voorkeur en de context van de patiënt en ouders.
Link naar proefschrift

Vrijdag 20 december
Promotie, Aula (UvA), 10.00 uur
Daniella Brals: Interventies voor daling van sterfte rond de geboorte in Afrika


Vaker in het ziekenhuis bevallen, meer aandacht voor moeder en kind vóór de geboorte en het goed in de gaten houden van het gewicht kan sterfte rond de geboorte met 47 per tienduizend bevallingen doen afnemen. Dit zegt Daniella Brals in haar onderzoek naar moeder- en kindersterfte in Afrika ten zuiden van de Sahara. Ze stelt dat moeder- en kindersterfte zijn afgenomen sinds de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties werden geïntroduceerd in 2001. Toch sterven er nog steeds te veel moeders en kinderen in Sub-Sahara-Afrika. Dit betekent dat huidige interventies niet effectief genoeg zijn. In dit proefschrift beschrijft ze vijf studies die de effecten van een nieuwe interventie op de gezondheid van moeder en kind belichten. Brals deed hiervoor onderzoek in Nigeria en in Kenia. Eén van de interventies bestond eruit dat vrouwen zich konden verzekeren. Ook werd de kwaliteit van zorg in de bestaande ziekenhuizen verbeterd. De onderzoekster stelt dat dergelijke interventies, hoe eenvoudig die ook klinken, een belangrijke rol spelen bij doeltreffende en kosteneffectieve gezondheidszorg voor moeders en kinderen en dat hierdoor de positie van moeders verbetert.

Vrijdag 20 december
Promotie, Aula (UvA), 11.00 uur
dhr. B.G. Muller: lokale behandeling van prostaatkanker

Radicale behandeling van prostaatkanker gaat gepaard met forse bijwerkingen als erectieproblemen en incontinentie. In een selecte groep patiënten met gelokaliseerd prostaatcarcinoom is focale therapie mogelijk. Bij focale therapie wordt alleen de tumor in de prostaat behandeld, terwijl de rest van de prostaat onaangetast blijft. Dit heeft als gevolg dat de bijwerkingen van radicale therapie aanzienlijk gereduceerd kunnen worden. Standaardisatie van protocollen voor deze nieuwe vorm van behandeling, en accurate tumor lokalisatie in de prostaat zijn van vitaal belang voor het succes van focale therapie.
Link naar proefschrift

Vrijdag 20 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 12.00 uur
L.R.A. Schouten: Meer kennis over ernstige zuurstoftekorten

Mensen met het acute respiratory distress syndrome (ARDS) krijgen te maken met zogenaamde ernstige hypoxie. Dit zijn zuurstoftekorten in diverse weefsels in het lichaam. Ongeveer een derde van de ARDS patiënten overlijdt. Ondanks veel onderzoek is er geen effectieve behandeling. Laura Schouten bekeek of leeftijd een rol speelt in de uitingsvormen van deze ernstige aandoening. In de afgelopen decennia was onderzoek naar ARDS voornamelijk gericht op volwassenen. Echter recent onderzoek toont opvallende leeftijdsafhankelijke verschillen in het vóórkomen van dit ziektebeeld en in de mogelijke uitingsvormen van de ziekte. Schouten bestudeerde deze mogelijke relatie tussen leeftijd en ziektebeeld. Die relatie blijkt complex. Schouten concludeert dat kennis en begrip van de pathofysiologische verschillen binnen ARDS patiënten mogelijkheden biedt voor toekomstige (leeftijdsspecifieke) geïndividualiseerde behandelingen.
Link naar proefschrift

Vrijdag 20 december
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 14.00 uur
Friso de Beer: longschade en het afweersysteem

Bij proefdieren lijkt er een relatie te bestaan tussen de activatie van bepaalde eiwitten van het afweersysteem (het complementsysteem) in de longen en modellen van (beademingsgerelateerde) longschade. De Beer deed hier onderzoek naar. Het lukte hem echter niet om met een bepaalde interventie deze complement-activatie te verminderen en ook niet om longschade te verminderen. Dit is te lezen in het proefschrift van De Beer dat gaat over de vraag of lokale complement activatie in de long betrokken is bij bepaalde ziektebeelden zoals ventilator induced lung injury en acute respiratory distress syndrome (ARDS).

Vrijdag 20 december
Promotie VU Aula (VUmc), 13.45 uur
Sandra Stapel: Towards optimal nutrition in the critically ill
Kritiek zieke patiënten op de intensive care (IC) zijn zelf niet in staat voeding tot zich te nemen en zullen zonder ingrijpen snel in een slechte voedingstoestand komen. Het kunstmatige voeden van deze patiënten behoort dan ook tot de standaardbehandeling op de IC. Met als doel de patiënt in een zo goed mogelijke voedingstoestand te houden, het verlies aan spiermassa zoveel als mogelijk te beperken, en uiteindelijk het herstel positief te beïnvloeden. Promovenda Sandra Stapel schetst in haar proefschrift de achtergrond over de beoordeling van het energieverbruik bij ernstig zieke patiënten die aan de beademing liggen op de intensive care, de beoordeling van de lichaamssamenstelling en van de rol van nutritionele eiwitten bij de patiënt. Bij intensive care patiënten die aan de beademing liggen wordt aanbevolen het energieverbruik te meten met indirecte calorimetrie. Het meest gevalideerde en gebruikte systeem daarvoor, de Deltatrac® (Datex-Ohmeda, Helsinki, Finland), is echter niet langer in productie en op de meeste IC’s niet beschikbaar. In de praktijk worden onnauwkeurige formules gebruikt om het energieverbruik te schatten. Intensivist Sandra Stapel onderzocht een alternatieve methode, namelijk met alleen de koolzuurproductie die door de meeste moderne beademingsmachines gemeten wordt. Deze methode bleek betrouwbaar en nauwkeuriger dan veelgebruikte formules. Hiermee hebben kregen IC’s zonder toegang tot indirecte calorimetrie een betrouwbaar alternatief in handen om het energieverbruik te meten waarmee schadelijke over- en ondervoeding voorkomen kan worden. Verder onderzocht Stapel of zogeheten bioelectrische impedantie analyse (BIA) gebruikt kan worden voor bepaling van de lichaamssamenstelling. Hoewel verder onderzoek noodzakelijk is, lijkt BIA een interessant instrument om al bij opname op de IC patiënten te identificeren met een lage spiermassa en weinig reserves. Tot slot wordt onderzoek met 896 IC-patiënten aan de beademing het belang van eiwit in de voeding beschreven.