Wetenschapsagenda 18 november - 22 november 2019

Overzicht van de promoties en oraties van Amsterdam UMC

Maandag 18 november
Promotie, Aula (UvA), 11.00 u
Melanie Bannister-Tyrrell: Malaria bestrijden op micro-niveau In grote delen van Zuidoost-Azië lijkt malaria beheersbaar.

Toch zijn er nog altijd locaties, vooral bij bossen en wouden, waar malaria veel voorkomt. Bannister-Tyrrell onderzocht op ‘micro-epidemiologisch’ niveau waar die malariahaarden zich bevinden, hoe ze in stand blijven en deed aanbevelingen over hoe deze malaria-haarden kunnen worden aangepakt. Ze ontdekte dat soms op het niveau van een dorp, of zelfs één huishouden, malaria voor blijft komen, bijvoorbeeld omdat mensen in dichte jungle werkzaam zijn. Ook zijn er nog diverse malaria-soorten die overleven. Dit noopt tot een aanpak van malaria op dit micro-niveau.
Link naar proefschrift

Dinsdag 19 november
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 14.00 u
Michael de Nerée tot Babberich: Kwaliteit van zorg meten bij darmkanker
Jaarlijks sterven er zo’n vijfduizend mensen ten gevolge van darmkanker. De kans dat iemand darmkanker krijgt is vijf procent. Door darmkanker vroeg op te sporen, waarbij -als gunstige bijkomstigheid- ook voorstadia gevonden worden, neemt de sterfte aan darmkanker af. In 2014 is in Nederland het bevolkingsonderzoek darmkanker begonnen waarbij alle inwoner tussen de 55 en 75 jaar om de twee jaar gescreend worden op bloed bij de ontlasting. Als er bloed wordt gevonden, volgt een zorgtraject dat in sommige gevallen leidt tot een ingreep om eventuele darmpoliepen weg te halen. Soms moet een chirurg ook een deel van de darm verwijderen. De Nerée tot Babberich bestudeerde meerdere aspecten van het meten van de kwaliteit van zorg van (de voorstadia van) darmkanker.
Link naar proefschrift

Woensdag 20 november
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 10.00 u
Lena Koers: Standaardisatie verbetert spoedzorg

Standaardisatie is een manier om om te gaan met complexiteit. Zorg standaardiseren kan met richtlijnen en protocollen. Dit is vooral belangrijk in spoedsituaties, omdat dan vaak belangrijke behandelstappen worden vergeten. Het blijkt dat de zogenoemde cognitive aids, een hulpmiddel waarbij tijdens een spoedsituaties bepaalde belangrijke vragen zich als het ware opdringen. Dat kan met een venster in het computerscherm of met posters aan de muur. Dit draagt bij om de zorg voor ernstig zieke patiënten tijdens een noodgeval te standaardiseren. In haar onderzoek hoe complexe zorg zo goed en veilig mogelijk te maken, blijkt dat het mogelijk is de kans dat een arts een noodzakelijke behandelstap tijdens spoed overslaat met 70 procent te verminderen. Zo verbeteren cognitive aids de behandeling van de patiënt. Koers heeft aangetoond dat de spoedbundels die ze ontwikkeld heeft voor dit promotieonderzoek de zorg voor ernstig zieke perioperatieve patiënten kunnen verbeteren. Deze bundels zijn vrij beschikbaar voor geïnteresseerde ziekenhuizen en worden al door een aantal ziekenhuizen in Nederland gebruikt.
Link naar proefschrift

Donderdag 21 november
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 10.00 u
Jim Vehmeijer: Betere voorspelling plotse hartdood bij aangeboren hartafwijking
De huidige risicovoorspellingsmethoden zijn onvoldoende geschikt om plotse hartdood bij patiënten met een aangeboren hartafwijking op een accurate manier te voorspellen. Vehmeijer heeft een nieuw model, gebaseerd op zeven risicofactoren, vergeleken met de huidige methoden. Met de nieuwe risicoscore kunnen cardiologen plotse hartdood beter voorspellen dan met de risicofactoren die op dit moment volgens de richtlijnen moeten leiden tot implantatie van een ICD (Implanteerbare Cardioverter Defibrillator). Dit implantaat brengt een te snel kloppend hart tot rust. Plotse hartdood is een van de meest voorkomende doodsoorzaken bij volwassen patiënten met een aangeboren hartafwijking. Dit kan voorkómen worden door een ICD te plaatsen. Dit apparaat kan echter ook complicaties geven, dus moet het plaatsen hiervan goed worden afgewogen. Vehmeijer heeft onderzocht of plotse hartdood op dit moment goed te voorspellen is en of dit verbeterd kan worden, zodat de juiste patiënten een ICD krijgen om hen te beschermen tegen plotse hartdood. Vehmeijer stelt dat een groot deel van plotse hartdood bij patiënten met een aangeboren hartafwijking wordt voorkomen, als cardiologen de nieuwe risicoscore gaan gebruiken en overgaan tot ICD-implantatie bij patiënten met een hoog risico.
Link naar proefschrift

Donderdag 21 november
Promotie, Aula VU, 11.45 uur
Francine Voncken: Meer maatwerk nodig bij behandeling slokdarmkanker


Patiënten die bestraling en chemotherapie krijgen voor lokaal gevorderde slokdarmkanker, krijgen veelal dezelfde behandeling. Er zijn echter grote verschillen tussen patiënten. Voncken onderzocht of er een betere patiëntenselectie te maken is en keek ze naar verbeteringen in de techniek van PET-CT scans, in beeldgestuurde radiotherapie en in de respons-beoordeling na chemoradiotherapie. “We zagen dat als we oudere patiënten van 70 jaar of ouder zorgvuldig selecteerden voor behandeling met chemoradiotherapie, dat zij vergelijkbare lange termijn uitkomsten hebben als patiënten onder de 70 jaar”, aldus Voncken. “Daarnaast onderzochten we de voorspellende waarde van tumormarkers CEA en CA19-9 in het bloed voor de start van chemoradiotherapie. Hierbij bleek dat patiënten met verhoging van beide tumormarkers een tien keer verhoogde kans hebben op vroegtijdige terugkeer van de ziekte.” Ook onderzocht ze de rol van PET-CT bij het afgrenzen van de tumor voor het bestralingsplan. Daarnaast stelde ze vast dat compenseren voor ademhalingsbeweging bij het maken van een PET-CT-scan het afgrenzen van de tumor en de detectie van verdachte klieren niet verbetert. Het onderzoek gericht op verbetering van beeldgestuurde radiotherapie maakt nauwkeuriger en meer geïndividualiseerde bestraling mogelijk. Tot slot bleek dat respons-beoordeling van de slokdarmtumor na chemoradiotherapie zou kunnen verbeteren met (diffusie-gewogen) MRI scans.

Donderdag 21 november
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 12.00 u
Vashendriya Hira: Stamcellen hersentumor gevoeliger maken voor therapie


Glioblastoma is de meest agressieve hersentumor. De overleving van patiënten met deze tumor is erg slecht: ongeveer 15 maanden na diagnose. De hersentumor kan na chemotherapie en radiotherapie weer terugkomen doordat bepaalde therapieresistentie stamcellen (glioma stamcellen, of GSCs) in beschermde niches aanwezig zijn. Hira onderzocht hoe deze niches functioneren en hoe je ze toch gevoelig kunt maken voor therapie. De promovenda ontdekte dat het verbreken van de interacties tussen deze stamcellen en hun beschermende niches, een veelbelovende therapeutische strategie is om stamcellen uit hun niches te drijven. De cellen veranderen daardoor namelijk in snel delende cellen en worden dan gevoeliger voor radiotherapie en chemotherapie. Ze beschrijft in haar proefschrift verder hoe de GCS-niches eruit zien en gaat in op de vraag of ze te visualiseren ziin.
Link naar proefschrift

Vrijdag 22 november
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 10.00 u
Jolien Heukelom: Goed gebruik van adaptieve radiotherapie

Voor uitgebreide tumoren in het hoofdhalsgebied die niet geopereerd kunnen worden, is de standaardbehandeling een combinatie van radiotherapie (bestraling) en chemotherapie. Deze combinatie wordt ook wel chemoradiatie genoemd. Heukelom heeft verschillende opties onderzocht om resultaten na chemoradiatie als behandeling van kanker in het hoofd-halsgebied te verbeteren. Haar doel is te kijken of het aantal patiënten dat geneest kan toenemen en het aantal patiënten te verkleinen dat last heeft van tijdelijke of blijvende bijwerkingen als gevolg van de behandeling. Zij heeft gekeken naar dosisaccumulatie. Dat is een techniek waarbij de dagelijkse bestralingsdosis wordt uitgerekend en opgeteld. Dit kan worden toegepast om de verschillen tussen geplande en afgegeven bestralingsdosis te berekenen op elk moment van de behandelserie, die vaak wel zeven weken duurt. Daarnaast kan met geaccumuleerde dosis in combinatie met modellen die bijwerkingen voorspellen, worden berekend welke patiënten het meeste baat kunnen hebben bij adaptieve radiotherapie. Dan past de arts tijdens de behandelserie het bestralingsplan aan om te corrigeren voor veranderingen in het lichaam die zijn opgetreden. Heukeloms onderzoek wijst uit dat de keuze voor aangepaste bestraling op basis van geaccumuleerde dosis en modellen nauwkeuriger is dan de keuze van artsen zelf. Haar bevinding komt de doelmatigheid van zorg ten goede. Bovendien zal het de uitkomsten voor patiënten mogelijk verder verbeteren.
Link naar proefschrift

Vrijdag 22 november
Promotie, Agnietenkapel (UvA), 12.00 u
Marie-José Roos-Blom Op de intensive care (IC) afdelingen worden complexe, ernstig zieke patiënten behandeld.

De medewerkers hebben te maken met gecompliceerde processen waardoor het systeem duur, kwetsbaar en foutgevoelig is. Om de kwaliteit van zorg voortdurend te verbeteren is het wenselijk om de sterke en kwetsbare punten van de IC continue te evalueren. Dat gebeurt met kwaliteitsindicatoren die verschillende aspecten van de geleverde zorg meten. Audit en feedback (A&F) is een veelgebruikte strategie om de kwaliteit van zorg te verbeteren, maar het effect ervan varieert aanzienlijk. Roos-Blom onderzocht hoe IC-professionals de kwaliteit van (een deel van hun) zorg voor ernstig zieke patiënten voortdurend kunnen verbeteren. Daarnaast zocht ze uit hoe de effectiviteit van audit en feedback kan worden verhoogd. De promovenda concludeert dat een elektronische audit en feedback interventie bestaande uit actiegerichte indicatoren en een toolbox met suggesties voor verbeteracties, een verbeterde effectiviteit heeft. Dit ondersteunt IC-professionals bij het continu verbeteren van de kwaliteit van zorg voor ernstig zieke patiënten.
Link naar proefschrift

Vrijdag, 22 november
Promotie, Aula (UvA), 13.00 u
Tonja Emans: Meer kennis over regulatie van zuurstof in nier
Het meten van nieroxygenatie door middel van telemetrie, onthult extra informatie over het verloop van zuurstof in de nier.Nieroxygenatie is veranderlijk, het fluctueert. Dit laat zich voornamelijk zien in de dagelijkse ritmiek van zuurstof in de nier en het tijdelijke ontstaan van zuurstoftekort (hypoxie) tijdens verhoogde bloeddruk. Dit onderzoek versterkt het idee dat hypoxie in de nier een aanstichter is van chronische nierziekten. Dit stelt Emans in haar onderzoek naar het verloop van de zuurstofbalans in de nier tijdens de ontwikkeling van nierschade. Het onderzoeken van fysiologische mechanismen, die ten grondslag liggen aan of schuilgaan onder het verslechteren van nierfunctie, is cruciaal in de zoektocht naar goede behandelingen. Een van deze mechanismen is de regulatie van zuurstof in de nier. Te lage zuurstofconcentraties zijn gerelateerd aan chronisch nierfalen, maar onbekend is precies waarom. Het huidige onderzoek draagt bij aan de kennis van de regulatie van zuurstof in de nier. Daarmee draagt het onderzoek bij aan de zoektocht naar factoren die nierschade kunnen beperken.
Link naar proefschrift

Vrijdag 22 november
Promotie, Aula VU, 13.45 uur
Barbara Snoek: Vroegtijdige detectie baarmoederhalskanker in zelfafgenomen materiaal

Baarmoederhalskanker wordt veroorzaakt door een infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Om daadwerkelijk baarmoederhalskanker te ontwikkelen zijn extra moleculaire veranderingen in de geïnfecteerde cel nodig. Barbara Snoek heeft onderzoek gedaan naar deze moleculaire veranderingen (biomarkers) en of zij gebruikt kunnen worden in zelfafgenomen materiaal om vrouwen met hoog risico op baarmoederhalskanker op te sporen. In het huidige bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker worden vrouwen tussen de 30 en 60 jaar uitgenodigd voor een uitstrijkje bij hun huisarts. Of zij kunnen gebruik maken van een zelfafnameset om zelf thuis vaginaal materiaal af te nemen. De zelfafnameset is in 2017 toegevoegd aan het bevolkingsonderzoek om de beperkte deelname (±65%) te verhogen. Het uitstrijkje en zelfafgenomen materiaal wordt getest op de aanwezigheid van HPV. Wanneer een vrouw HPV-positief is, wordt er getest op de aanwezigheid van afwijkende cellen, de zogenaamde cytologietest. Deze cytologietest kan echter niet worden uitgevoerd op zelfafgenomen materiaal. Vrouwen met een HPV-positieve zelftest moeten daarom alsnog naar de huisarts voor een uitstrijkje, wat mogelijk zal leiden tot verlies in deelname aan het onderzoek. In dit proefschrift heeft Snoek, door genoom-wijde analyses, nieuwe moleculaire biomarkers ontdekt waarmee baarmoederhalskanker en ernstige voorstadia gedetecteerd kunnen worden in zelfafgenomen materiaal. Deze biomarkers zijn veelbelovend, omdat ze kunnen leiden tot een volledig moleculair bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Hiermee verbetert mogelijk niet alleen de deelname nog verder, maar is de ziekte nog beter op te sporen.
Link naar proefschrift

Vrijdag 22 november
Promotie, Agnietenkapel, 14 u
Christianne van der Meer: Betere zelfhulp met apps na trauma Mobiele applicaties kunnen een waardevolle rol spelen in het ondersteunen van mensen na een trauma.
De studie van Van der Meer toont aan dat dit vooral kan op het gebied van (zelf)beoordeling en zelfhulp van mensen met trauma. De promovenda heeft twee apps ontwikkeld en onderzocht. De ene app screent op een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en depressie, de andere biedt hulp in het zelfstandig omgaan met trauma gerelateerde klachten. Op het gebied van behandeling blijkt dat de afwezigheid van een PTSS-diagnose niet impliceert dat andere restsymptomen afwezig zijn. Daarnaast is het van belang na behandeling niet alleen naar klachten te kijken, maar ook naar positieve uitkomsten na trauma, zoals posttraumatische groei. Bijna iedereen maakt ooit een ingrijpende gebeurtenis mee, zoals een plotselinge dood van een naaste of een ernstig ongeluk. Hoewel de meeste mensen geen last houden van langdurige psychische klachten na een ingrijpende gebeurtenis, ontwikkelt een aanzienlijke groep langdurige psychische klachten, zoals posttraumatische stress symptomen. De studies in dit proefschrift richten zich op één overkoepelende vraag; op welke manieren kunnen we mensen ondersteunen na ingrijpende gebeurtenissen? Hierbij heeft Van der Meer gekeken naar ondersteuning op drie gebieden: (zelf)beoordeling van de mentale gezondheid, zelfhulp en behandeling na mogelijk trauma. Dit onderzoek draagt niet alleen bij aan kennis over de ondersteuning van mensen na mogelijk trauma, maar levert ook kosteloze producten op (apps en een vragenlijst) die direct bijdragen aan dit doel. Zo heeft de promovenda de eerste Nederlandstalige app ontwikkeld en onderzocht die zelfhulp biedt na mogelijk trauma. Deze app, genaamd SUPPORT Coach, is kosteloos beschikbaar in de Google Play store en App Store, en kan door iedereen gebruikt worden die hieraan behoefte heeft. Daarnaast is een vragenlijst ontwikkeld die psychologische veerkracht in kaart brengt. Deze wordt momenteel in onderzoeken en de klinische praktijk gebruikt.
Link naar proefschrift