Wetenschapsagenda 28 oktober - 1 november 2019

Overzicht van de promoties en oraties van Amsterdam UMC

Promotie
Dinsdag 29 oktober
Marloes Vester: Beeldvormende technieken in de forensische geneeskunde
Een CT-scan die gemaakt wordt na het overlijden, kan van toegevoegde waarde zijn om onderliggende ziekten en doodsoorzaken vast te stellen. Ook kan zo’n scan bij een dodelijke schotverwonding, richting geven aan de gerechtelijk sectie (het lichamelijke onderzoek dat plaatsvindt vanwege een strafrechtelijk onderzoek). Daardoor zou soms een gedeeltelijke sectie mogelijk kunnen zijn. Dit concludeert Vester in onderzoek naar de toegevoegde waarde van forensisch radiologisch in de forensische en postmortale geneeskunde. Het proefschrift van de promovenda biedt een brede blik op het veld van de forensische en postmortale radiologie, waarbij beeldvormende technieken gebruikt worden om meer duidelijkheid te krijgen over de doodsoorzaak. Haar studie onderschrijft de waarde van forensische radiologie als deelgebied binnen de radiologie. De onderzoekster constateert dat onderzoek naar overlijden, zowel natuurlijk als niet-natuurlijk, in Nederland laag op de prioriteitenlijst staat. Daardoor is er weinig financiering voor wetenschappelijk onderzoek. Deze en andere studies kunnen daar mogelijk verandering in brengen.
Plaats en tijd: Agnietenkapel (UvA), 14 uur.
Link naar proefschrift

Promotie
woensdag 30 oktober
Charlotte Vollgraff Heidweiller-Schreurs: Dopplermeting navelstreng is voldoende voor monitoren groeivertraging


Charlotte Vollgraff Heidweiller-Schreurs deed een kritische evaluatie van echoscopische Dopplertesten gebruikt bij foetale groeivertraging. Het nut van Dopplermeting van de navelstreng is bekend en alle richtlijnen bevelen het aan. De afgelopen jaren is echter veel interesse voor een nieuwe test, de ‘cerebroplacentaire ratio’. Dit is de verhouding tussen Dopplermeting in de navelstreng en in een hersenbloedvat (arteria cerebri media). Deze nieuwe test wordt steeds vaker gebruikt voor het meten van groeivertraging. Vollgraff Heidweiller concludeert vanuit de bestaande literatuur dat het bewijs voor het nut van de cerebroplacentaire ratio beperkt is. Vervolgens heeft ze internationale datasets samengevoegd en ook hieruit blijkt geen toegevoegde waarde van de cerebroplacentaire ratio ten opzichte van de bestaande navelstreng Dopplermeting. Vollgraff Heidweiller concludeert dat met de huidige kennis de cerebroplacentaire ratio niet hoeft te worden bepaald, behalve eventueel in studieverband. In bredere zin is dit een voorbeeld dat men voorzichtig moet zijn met het invoeren van nieuwe testen voordat er voldoende bewijs is. Plaats en tijd: Aula VU, 11.45 uur

Promotie
woensdag 30 oktober 2019
Laura Bonouvrié (locatie VUmc): Kinderen met ernstige dystonie hebben baat bij Baclofen pomp
Kinderen en jongvolwassenen van wie het lichaam veelvuldig ongecontroleerde bewegingen maakt (ernstige dystonie) als gevolg van cerebrale parese (CP) hebben baat bij gebruik van een zogeheten Baclofen pomp. Dat concludeert kinderrevalidatiearts Laura Bonouvrié in haar promotieonderzoek bij Amsterdam UMC en Maastricht UMC+. De ongecontroleerde verkrampende bewegingen of houdingen (dystonie) belemmeren dagelijkse activiteiten, zoals zitten en wassen. Extra vervelend omdat veel kinderen en jongvolwassenen met dyskinetische CP (hersenbeschadiging die ontstaat tijdens de zwangerschap, bevalling of in het eerste jaar na de geboorte) vanwege hun aandoening in een rolstoel zitten. Dystonie is moeilijk te behandelen. Laura Bonouvrié keek specifiek naar een behandeling met de Baclofenpomp. “Het medicijn Baclofen wordt via een onder de buikhuid geplaatste pomp met een slangetje direct in de ruimte rondom het ruggenmerg afgeven”, zegt Bonouvrié, “zo kan het medicijn direct zijn werk doen, met een beter effect, in een lagere dosering en met minder bijwerkingen dan wanneer het ingeslikt of via een sonde gegeven wordt.” Uit het onderzoek blijken de doelen van patiënten beter haalbaar met een Baclofenpomp dan met een placebo. De pomp kan worden voorgeschreven door gespecialiseerde artsen in de CP expertisecentra in Nederland (Amsterdam UMC en Maastricht UMC+). Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door de Phelps stichting voor Spastici, het Johanna kinderfonds, Kinderrevalidatiefonds de Adriaanstichting en HandicapNL (voorheen Revalidatiefonds).
Plaats en tijd: Aula VU, 13.45 uur

Promotie
donderdag 31 oktober 2019
Claudia Sestito: Transglutaminase mogelijke biomarker progressie MS


De stof transglutaminase (TG2) speelt een belangrijke rol bij MS. Claudia Sestito heeft tijdens haar promotieonderzoek gevonden dat TG2 niet alleen gebruikt zou kunnen worden voor remmen van ontsteking bij MS, maar dat TG2 ook een biomarker kan zijn voor progressie van de ziekte. Uit eerder onderzoek in ziektemodellen voor MS blijkt dat het remmen van TG2 kan zorgen voor vermindering van klinische symptomen doordat het binnendringen van ontstekingscellen in de hersenen wordt geremd. Sestito heeft onderzocht in hoeverre de kennis die tot nu toe uit ziektemodellen verkregen was ook op mensen van toepassing is. In het bloed zitten de ontstekingscellen monocyten. Zodra deze het hersenweefsel binnendringen bij een MS ontsteking worden deze cellen macrofagen genoemd. Sestito heeft gevonden dat TG2 geproduceerd wordt door macrofagen in ontstekingen in de hersenen van mensen met MS. Deze productie was echter ook verhoogd bij ontstekingscellen in de bloedbaan, de monocyten, bij mensen met MS. Daarnaast blijkt dat de monocyten en macrofagen die TG2 maken minder ontsteking stimulerende stoffen produceren. Als laatste vond Sestito dat TG2 geproduceerd door ontstekingscellen in bloed een marker zou kunnen zijn voor ziekteprogressie bij MS. Sestito concludeert dat haar onderzoek de belangrijke rol van TG2 bij MS benadrukt en dat er mogelijk een klinische toepassing is voor TG2 als biomarker. Het onderzoek is mogelijk gemaakt door een subsidie van Europese Unie Programma FP7 “TRANSPATH” en Stichting MS Research.
Plaats en tijd: Aula VU, 9.45 uur

Promotie
Donderdag 31 oktober
Roos Achterbergh: Vet eten kan omzetting medicijnen beïnvloeden
Een calorierijk dieet van drie dagen met veel vetten kan de blootstelling aan medicijnen veranderen. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Achterbergh naar het effect van een kortdurend hypercalorisch hoog vet dieet op de omzetting van geneesmiddelen in de lever. Het effect van het dieet was klein, benadrukt de promovenda, en minder eenduidig dan ze op voorhand veronderstelde. Voor conclusies naar de dagelijkse praktijk is het dus nog te vroeg. Daarvoor is meer onderzoek nodig. Het is bekend dat na drie dagen erg vet eten, de lever de eerste tekenen van vervetting laat zien. Omdat veel medicijnen door de lever worden omgezet, is het voorstelbaar dat een vet dieet invloed heeft op deze omzetting. Achterbergh onderzocht dit door de activiteit te meten van belangrijke leverenzymen die betrokken zijn bij de omzetting van geneesmiddelen. Vrijwilligers kregen paracetamol als voorbeeld van een medicijn. Dit gebeurde op twee momenten: na een regulier dieet en na drie dagen van dit dieet aangevuld met 500 ml slagroom na de avondmaaltijd. De promovenda onderzocht het verschil in blootstelling aan medicijnen tussen deze interventies en concludeerde dat een hoog vet dieet invloed heeft op de omzetting van geneesmiddelen.
Plaats en tijd: Agnietenkapel (UvA), 10 uur.
Link naar proefschrift

Promotie
Donderdag 31 oktober
Pascal van der Weele: Minder virus door HPV-vaccinatie


Het vaccin tegen baarmoederhalskanker, veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV), beschermt goed tegen baarmoederhalskanker. Pascal van der Weele toont aan dat het meten van de hoeveelheid virus in een infectie een indicator is van de duur hiervan bij vrouwen. Hij laat zien dat de hoeveelheid virus bij vaccintypes HPV16 en HPV18 significant lager is in gevaccineerde dan in ongevaccineerde vrouwen. Door de lagere hoeveelheid virus lijkt het aannemelijk dat infecties dank-zij de vaccinatie kort(er) van duur zijn en minder goed verspreiden. Ook keek Van der Weele naar de diversiteit in het viraal DNA van HPV16 en HPV18. Bijna alle vrou-wen in de studie had een unieke variant van het virus. Over de tijd (tot 3 jaar) blijkt nu dat bij een met HPV geïnfecteerde vrouw het virus niet of nauwelijks verandert. Wanneer hij dieper in het ge-noom in detail kijkt naar het DNA over tijd, wordt wel een bepaalde verandering op zeer laag niveau inzichtelijk. Op termijn zou dit kunnen helpen verklaren hoe de waargenomen virale diversiteit is ontstaan. Ten slotte zijn DNA bepalingen gedaan om te bepalen hoe bij vrouwen, die behandeld worden voor voorstadia van baarmoederhalskanker, wederkerige hooggradige laesies (rCIN) als gevolg van HPV infectie ontstaan. Van der Weele laat zien dat in alle gevallen van rCIN de originele infectie niet vol-ledig verdwenen is en dat infectie met hetzelfde HPV type en variant zowel voor als na behandeling de hooggradige afwijkingen aan de baarmoederhals veroorzaakt.
Plaats en tijd: Aula VU, 11.45 uur

Promotie
Donderdag 31 oktober
Wu: Meer kennis over het kleine bekken Incontinentie komt bij ongeveer dertig procent van gezette vrouwen na de menopauze voor.
Behandeling is lastig omdat veel over de functionele anatomie van het kleine bekken nog onbekend is. De “chirurgische” benadering (“dissectie”) is grotendeels gebaseerd op voorkennis en lastig reproduceerbaar. Om de kennis over het kleine bekken te vergroten is die structuur in dunne plakken gesneden en bestudeerd. Deze benadering is de standaardprocedure in microscopisch onderzoek, maar pas sinds twintig jaar toepasbaar op grote objecten, zoals een volwassen mens. De promovendus heeft voor zijn onderzoek plakken gemaakt met een dikte van 0.1 tot 1 mm van het bekken en het nieuwe oppervlak vervolgens afgebeeld. Daarbij heeft Wu gevonden dat de bekkenbodemspieren een integraal en essentieel onderdeel van de sluitspier van de einddarm zijn. Er is een “diafragma” van spieren rondom de endeldarm. Verder blijkt dat de sluitspier van de urinebuis uit drie componenten bestaat die verschillend ontwikkeld zijn in mannen en vrouwen. Verder wordt de opening in de bekkenbodem, waar onder meer de urinebuis en endeldarm doorheen gaan, versterkt door een aftakking van de gladde spier van de einddarm. De bevindingen zijn voor derden toegankelijk gemaakt d.m.v. interactieve 3D-PDF’s.
Plaats en tijd: Agnietenkapel (UvA), 12 uur.

Promotie
Donderdag 31 oktober
David Heineman: Clinical staging of non-small cell lung cancer Jaarlijks sterven helaas veel patiënten aan longkanker.
Bij het stellen van de diagnose is het belangrijk om te weten wat er precies aan de hand is. Dit gebeurt met behulp van scans en onderzoek naar de lymfklieren rondom de long. Zo wordt het klinische stadium bepaald. Op basis van het klinische stadium worden de behandelopties bepaald. Na een operatie gaan alle weefsels naar de patholoog-anatoom. Hieruit volgt een pathologisch stadium. Een correct vastgesteld stadium van de ziekte zorgt voor de keuze van de juiste behandeling. Daarnaast is het een maat voor de betrouwbaarheid van alle diagnostische onderzoeken voorafgaand aan een operatie. David Heineman heeft in zijn onderzoek gekeken naar de overeenkomst tussen het pathologisch en het klinisch stadium bij patiënten met een operatie voor longkanker als maat voor de betrouwbaarheid van het diagnostisch traject. Voor dit onderzoek hebben we data gebruikt uit de landelijke Dutch Lung Cancer Audit, een nationale database met gegevens van alle patiënten die een operatie hebben ondergaan voor longkanker. Uit Heinemans onderzoek blijkt dat de overeenkomst tussen pathologisch en klinisch stadium in Nederland ongeveer 53% is. De analyses laten zien dat richtlijnen niet altijd goed gevolgd worden, maar ook dat de diagnostische onderzoeken soms technisch niet goed verricht worden. Met meer accuratesse kunnen diagnostische onderzoeken verbeteren, zodt de betrouwbaarheid van het diagnostische traject toeneemt en patiënten de beste behandeling krijgen voor hun ziekte.
Plaats en tijd: VU Aula, 13.45 uur

Promotie
Donderdag 31 oktober
Sabrina Merat: Vaccin voor hepatitis C
Patiënten die zonder behandeling zijn genezen van hepatitis C ontwikkelden meer antilichamen die andere types van het virus dat hepatitis C herkennen dan mensen die het virus niet op eigen kracht konden ontruimen. Dit blijkt uit de promotie van Sabrina Herat over hepatitis C. Hepatitis C (HCV) is een overal in de wereld een gezondheidsprobleem met naar schatting 71 miljoen chronisch geïnfecteerde mensen en 500 duizend sterfgevallen per jaar. De nieuwe behandelingen zijn zeer effectief, maar desondanks blijft de HCV-epidemie zich uitbreiden. Er is nog geen vaccin beschikbaar voor HCV. Bij het ontwikkeling van het vaccin is het belangrijk de beschermende immuunrespons te karakteriseren. De meeste vaccins tegen virussen veroorzaken antilichamen die de toegang van het virus tot onze cellen blokkeren. Daarom heeft Merat de antilichaamrespons bestudeerd van patiënten die met succes de HCV-infectie bestrijden zonder behandeling. De kennis die ze heeft vergaard over hoe een patiënt dat voor elkaar krijgt, helpt bij het ontwikkelen van een vaccin.
Plaats en tijd: Agnietenkapel (UvA), 14 uur.
Link naar proefschrift

Promotie
Vrijdag 1 november
Gé-Ann Kuiper: Een stapelingsziekte in kaart gebracht
Mucopolysaccharidose I (MPS I) is een zeldzame stapelingsziekte die ontstaat door een tekort aan een bepaald enzym (IDUA). Door dit tekort worden bepaalde stoffen niet goed afgebroken. De stoffen hopen zich op waardoor cellen niet meer goed functioneren. Hierdoor wordt pathologische processen in gang gezet, die progressieve schade en een progressieve ziekte veroorzaken. Binnen MPS I worden drie typen onderscheiden op basis van de ernst van de symptomen en de leeftijd waarop ze ontstaan. Kuiper gaat in haar proefschrift in op de uitdagingen omtrent (vroege) diagnose, de effectiviteit van de behandeling en de restverschijnselen van de ziekte ondanks behandeling.
Plaats en tijd: Agnietenkapel (UvA), 14 uur.
Link naar proefschrift

Oratie
Vrijdag 1 november
Prof. dr. Nathalie van der Velde is benoemd tot hoogleraar Ouderengeneeskunde, in het bijzonder valpreventie.
Ze houdt haar oratie met de titel: Vallen en opstaan

Vallen is de belangrijkste reden voor letsel-gerelateerd SEH-bezoek bij ouderen. In Nederland sterven dagelijks 12 ouderen door een valongeval, 6,5 keer zoveel als het aantal verkeerslachtoffers. Vallen is vaak een teken dat er meer aan de hand is: bijvoorbeeld een niet-herkende medicatiebijwerking of een onderliggende ziekte. Afbouwen van valrisico-verhogende medicatie voorkomt vallen en bijkomend letsel, maar in de praktijk zijn zowel voorschrijvers als patiënten huiverig. Om hen hierbij te helpen, wordt slimme beslissingsondersteuning ontwikkeld die rekening houdt met persoonskenmerken. Hierdoor kan op maat gemaakt advies gegeven worden om onnodig vallen te voorkomen. Een andere veel over het hoofd geziene oorzaak van vallen is een onderliggende ziekte. Vooral kwetsbare ouderen presenteren zich bij een acute ziekte met vage klachten zoals vallen. Als artsen, ouderen en hun mantelzorgers zich daarvan bewust zijn, kan tijdig onderzoek en behandeling worden ingezet. Dit ontlast de SEH doordat onnodige valongevallen voorkomen worden. Daarbij zijn hart- en vaatziekten een vaak langdurig onopgemerkte oorzaak waardoor ouderen blijven vallen. Met input van patiënten en zorgverleners en gebruik van innovatieve technieken wordt gepersonaliseerde zorg ontwikkeld.
Plaats en tijd: Aula (UvA), 16 uur.