Wetenschapsagenda 29 juni tot en met 3 juli 2020

Overzicht van de promoties en oraties van Amsterdam UMC. Vanwege de situatie rondom het coronavirus verdedigen promovendi hun onderzoek nu digitaal.

Maandag 29 juni
Promotie (UvA), 14.00 u, online
Tom Hofland: Immuuntherapie bij chronische lymfatische leukemie
Hofland beschrijft hoe goed bepaalde afweercellen (zogenoemde T- en NK-cellen) functioneren in patiënten met chronische lymfatische leukemie (CLL). Nieuwe immuuntherapieën tegen kanker maken gebruik van deze afweercellen van de patiënt om tumoren terug te dringen. Tegen CLL werken deze therapieën vaak minder goed dan tegen andere vormen van kanker. Hofland heeft de functie van T- en NK-cellen bestudeerd om te bepalen of de slechte respons op immuuntherapie veroorzaakt wordt door een verminderde functie van deze afweercellen.
Uit zijn onderzoek blijkt dat afweercellen van CLL-patiënten minder goed functioneren vergeleken met afweercellen van gezonde donoren. Dit houdt vaak in dat T- en NK-cellen van CLL-patiënten minder goed in staat zijn om “kwaadaardige” cellen (zoals tumorcellen) dood te maken. Hofland constateert dat de verminderde functie van de afweercellen in CLL-patiënten omkeerbaar is. Zodra de T- en NK-cellen bij de tumorcellen worden weggehaald, of als de hoeveelheid tumorcellen omlaag gaat doordat de patiënten een therapie hebben gehad, neemt de functie van T- en NK cellen weer toe.
Hofland vermoedt dat de verminderde functie van de cellen in CLL-patiënten mogelijk een rol speelt bij de verminderde respons op immuuntherapie. Het feit dat de functie weer kan verbeteren, geeft aan dat deze afweercellen in theorie kunnen worden gebruikt voor immuuntherapie door de juiste strategieën te gebruiken.
Link naar proefschrift

Dinsdag 30 juni
Promotie (UvA), 10.00 u, online
Joko Mulyanto: Ongelijkheid in toegang tot zorg in Indonesië

Mulyanto beschrijft de omvang van de socio-economische en geografische ongelijkheden in de toegang tot gezondheidszorg in Indonesië. Hij heeft de factoren die daar mogelijkerwijs een rol bij spelen in kaart gebracht.
Hij constateert dat de ongelijkheden in het zorggebruik in Indonesië de afgelopen twee decennia weliswaar zijn afgenomen, maar dat er tussen zowel socio-economische groepen als geografische gebieden nog steeds sprake is van aanzienlijke verschillen, vooral ten aanzien van tweedelijns- en preventieve zorg.
De rijken en hoogopgeleiden maken meer gebruik van secundaire zorg (ziekenhuisopname en specialisatie) dan de armen en laagopgeleiden. Het gebruik van de primaire zorg (huisarts) is relatief gelijk. Ook het gebruik van de secundaire zorg verschilt sterk tussen de regio, waarbij de steden over het algemeen een groter gebruik van de zorg hebben dan het platteland.
De promovendus constateert dat de verschillen waarschijnlijk worden toegeschreven aan een ongelijke verdeling van de secundaire zorg, een lage dekking van de nationale ziektekostenverzekering, met name voor werknemers in de informele sector, belemmeringen als gevolg van het verwijzingsstelsel, en de mogelijke invloed van de decentralisatie.
Link naar proefschrift

Dinsdag 30 juni
Promotie (UvA), 13.00 u, online
Abel Swaan: Betere diagnose prostaatkanker
Twintig procent van de nieuwe kankerdiagnoses bij mannen is prostaatkanker. Daarvan zal één op de acht mannen uitgezaaide prostaatkanker ontwikkelen. Er wordt verwacht dat het aantal nieuwe gevallen van prostaatkanker de komende twintig jaar met veertig procent toeneemt. Microscopisch onderzoek van biopten speelt een cruciale rol in de planning van diagnose en therapie van prostaatkanker.
De classificatie van prostaatkanker met de microscoop kent een hoge variabiliteit die vaak afhankelijk is van de patholoog. Het resultaat van de classificatie is pas na zeven dagen beschikbaar voor de uroloog. Daarnaast neemt de werklast voor pathologen toe door het groeiende aantal prostaatkankerpatiënten. Een beeldvormende techniek die objectief prostaatkanker kan detecteren of uitsluiten, vermindert de variabiliteit in de classificatie, versnelt de diagnose van de patiënt en verlaagt de werklast van pathologen.
Een van de mogelijkheden is het gebruik van optische biopten. Swaan heeft gekeken of dit beter kan met Optische Coherentie Tomografie (OCT), een op licht gebaseerde equivalent van echografie. OCT kan weefsel met een resolutie van enkele tientallen micrometers, tot ongeveer 1,5 millimeter diep in beeld brengen. Deze techniek is in staat om in meerdere organen kanker te detecteren via kwantitatieve analyse van het gereflecteerde licht. De promovendus heeft methoden beschreven om OCT-beelden te vergelijken met een diagnose van achter de microscoop. Hij verwacht dat OCT-beelden in de toekomst een leidend en diagnostisch hulpmiddel kunnen zijn voor traditionele biopten.
Link naar proefschrift

Dinsdag 30 juni
Promotie (VU), 13.45 u, online
Mats Nagel: Zijn psychiatrische stoornissen op genetisch niveau van elkaar te onderscheiden?

Psychiatrische stoornissen, zoals depressie, schizofrenie en ADHD, zijn deels het gevolg van iemands genen. Het bepalen van de verantwoordelijke genen helpt ons beter te begrijpen welke biologische mechanismen ten grondslag liggen aan deze aandoeningen.
Psychologisch onderzoek laat zien dat verschillende psychiatrische aandoeningen vaker dan verwacht samen voorkomen binnen een en dezelfde persoon. De vraag is dan of de diagnostische categorieën in werkelijkheid duidelijk afgebakend zijn. Mats Nagel onderzocht de vraag of verschillende psychiatrische aandoeningen goed te onderscheiden zijn op genetisch niveau.
Om deze vraag te beantwoordden analyseerde hij bij ruim 100 duizend mensen data omtrent symptomen van angst en depressie, gecombineerd met genetische informatie. De resultaten laten zien dat de grenzen tussen angst en depressie op genetisch niveau niet altijd helder zijn: er zijn symptomen van angst en depressie die genetisch vrijwel identiek zijn. Ook vond hij genetische varianten die sterk gerelateerd waren aan specifiek symptomen, maar niet aan angst of depressie als geheel.
Deze studie wijst uit dat het cruciaal is om goed na te denken over hoe gedrag gemeten wordt, aangezien dit sterk van invloed is op de uitkomsten van genetische analyses. De stoornissen die we conceptueel of klinisch onderscheiden, zijn genetisch niet per definitie onderscheidbaar. De biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan individuele symptomen kunnen verschillend zijn, en dus ook andere behandeling vereisen.
Link naar proefschrift

Dinsdag 30 juni

Promotie (UvA), 15.00 u, online
Elsemieke de Vries: Leverziekte door verstoorde galwerking
Chronische ontsteking van de kleine galkanaaltjes (primaire biliaire cholangitis of PBC) en ontstekingen van de galwegen binnen en buiten de lever (primaire scleroserende cholangitis of PSC) zijn de meest voorkomende leverziekten waarbij de gal uit de lever niet kan worden uitgescheiden naar de twaalfvingerige darm. Dit worden de cholestatische leverziekten genoemd.
De Vries probeert het ontstaan van deze ziektes verder op te helderen. Op basis van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek dat naar deze ziektes is gedaan, zet de promovenda de behandelingen op een rij. PBC wordt gekenmerkt door ontstekingen en afbraak van de kleine galwegen, wat veel vaker bij de vrouw dan bij de man voorkomt, de verhouding is 9 op 1.
Bij PSC is er sprake van ontstekingen en dientengevolge structuurvorming van de galwegen. Dit komt vaker bij mannen voor en gaat) in zeventig tot procent van de gevallen vaak samen met inflammatoire darmziekten (IBD). Zowel PBC als PSC zijn bindweefselvormende ziekten. Zonder goede behandeling leidt de ontsteking van de galwegen tot leverfibrose en uiteindelijk levercirrose.
Link naar proefschrift

Dinsdag 30 juni
Promotie (VU), 15.45 uur, online
Sezai Özkan: Werkt vitamine C bij een polsbreuk?
De polsbreuk is een van de meest voorkomende fracturen bij volwassenen. Sommige patiënten blijven na genezing pijn houden en ervaren vingerstijfheid. Onderzoeken suggereren wordt dat vitamine C deze disproportionele pijn kan voorkomen.
De grootste kanttekening hierbij is dat de resultaten subjectief en niet altijd even consistent zijn. In internationale richtlijnen staat dat na een polsbreuk vitamine C kan helpen, maar wetenschappelijke bewijs is niet overtuigend. Wereldwijd bestaan er grote verschillen in het voorschrijfgedrag van vitamine C na een polsbreuk.
Özkan heeft in een grote Amerikaanse studie aan het Massachusetts General Hospital (Harvard Medical School) onderzoek gedaan naar polsblessures. Hij onderzocht onder meer of het gebruik van vitamine C na een polsfractuur leidt tot minder pijn en stijfheid. 134 patiënten zijn verdeeld in twee groepen: zes weken lang vitamine C of zes weken lang een placebo. Zowel de mensen die vitamine C kregen als de placebo-gebruikers bleken evenveel pijn en vingerstijfheid te hebben en evenveel functiebeperking te ervaren, zowel op korte (zes weken) als langere (zes maanden) termijn. De factor die wel gunstige invloed leek te hebben op de ervaren functiebeperking was pijn interferentie: een psychologische factor die aangeeft in hoeverre het functioneren wordt beïnvloedt door pijn.
Artsen zouden op basis van de resultaten er beter aan doen om het beloop van pijn en vingerstijfheid na een polsbreuk goed aan de patiënt uit te leggen dan om vitamine C voor te schrijven.
Link naar proefschrift

Woensdag 1 juli

Promotie (UvA), 10.00 u, online
Zühre Uz: Bruikbaarheid handgehouden vitale microscoop in de kliniek
Microcirculatie bestaat uit de kleinste bloedvaten in het lichaam die verantwoordelijk zijn voor een adequate stofwisseling van cellen. Een handgehouden vitale microscoop (HVM) kan deze bloedvaten in beeld brengen. Deze microscopen zijn niet-invasief en het beeld kan worden geprojecteerd op een aangesloten computerscherm zodat de stromende rode en witte bloedcellen direct zichtbaar worden. Uz heeft de monitoring van de microcirculatie met HVM onder de loep genomen aan het bed van de chirurgische en ernstig zieke patiënten.
De promovenda bestudeerde de potentiële waarde en de haalbaarheid van de HVM-beeldvorming voor de kliniek met klinische, experimentele en methodologische studies. Uz onderzocht verschillende organen met HVM-beeldvorming, zowel het gebied onder de tong (sublinguale ruimte) als de lever, darmen en het buikvlies. Hierbij heeft ze vier verschillende onderzoeksgebieden beschreven: 1) de beoordeling van de microcirculatoire leukocyten, 2) het vochtmanagement voor en tijdens de operatie, 3) de doorstroming van het bloed in de lever tijdens het verwijderen van een deel van het orgaan en 4) de morfologische beoordeling van de orgaanmicrocirculatie bij gezondheid en ziekte.
Link naar proefschrift

Donderdag 2 juli


Promotie (UvA), 10.00 u, online

Matthijs Welkers: De snelle evolutie van virussen

In patiënten die zijn overleden aan vogelgriep heeft Welkers aangetoond dat er nieuwe, voorheen onbekende, mutaties optreden. Het effect van deze mutaties is vergelijkbaar met een bekende mutatie die geassocieerd is met de aanpassingen van aan mensen. Het laat duidelijk zien dat influenzavirussen continu evolueren en dat mutaties ook vrij snel kunnen optreden en daarmee een continue dreiging blijven voor mensen.
In zijn onderzoek heeft Welkers virussen met een dierlijke oorsprong onderzocht die incidenteel in mensen ernstige infecties kunnen veroorzaken. Wanneer deze virussen zich vervolgens aan mensen aanpassen en makkelijker overdraagbaar worden tussen mensen, neemt het risico van het ontstaan van een pandemie met deze virussen toe. Met nieuwe next-generation sequencing technieken heeft hij gekeken naar de virus-variatie die aanwezig is in geïnfecteerde patiënten om een beter begrip te krijgen van deze aanpassingsprocessen.
Door in detail te kijken naar de virusvarianten die gedurende infectie opkomen, biedt het onderzoek kennis over potentieel ‘gevaarlijke’ mutaties en kan het richting geven aan de surveillance en controlemaatregelen om verspreiding zo goed mogelijk te beperken. Ook kan hiermee vooraf getest worden of beschikbare vaccins en medicijnen werkzaam zijn tegen virussen met deze mutaties.
Link naar proefschrift

Donderdag 2 juli

Promotie (UvA), 14.00 u, online
Sanne van Rooij: Aneurysma beter in beeld
Van Rooij bespreekt nieuwe technieken om een aneurysma (verzwakt bloedvat) in de hersenen beter in beeld te brengen. Voor deze aandoeningen zijn technieken, CT en CT angiografie, maar deze hebben een beperkte ruimtelijke resolutie. Met 2D-angiografie kan slechts een beperkt aantal projecties worden gemaakt. Met de introductie van 3D-angiografie is een nieuwe modaliteit met hoge resolutie en een oneindig aantal projecties beschikbaar gekomen. In dit proefschrift evalueert Van Rooij de impact van 3D-angiografie op de diagnose van aneurysma's en andere vasculaire aandoeningen en variaties bij patiënten met SAH. Met (vermoedelijke) aneurysma's werd 3D-angiografie uitgevoerd van alle hersenvaten, meestal onder algemene verdoving voorafgaand aan een endovasculaire behandeling. Deze gegevens zijn gebruikt om de klinische waarde van CT-angiografie bij patiënten met SAH te beoordelen en om de prevalentie en locatie van fenestraties van intracraniële slagaders en de mogelijke relatie van fenestraties met aneurysma's te evalueren. Tot slot werd de ziekenhuisdemografie van patiënten met SAH beoordeeld.
Link naar proefschrift

Vrijdag 3 juli

Promotie (UvA), 10.00 u, online
Lotte Franken: Naar een betere behandeling galwegkanker
De behandeling van patiënten met perihilair cholangiocarcinoom, een vorm van galwegkanker, is complex en vraagt om een multidisciplinaire aanpak. Wereldwijd is er veel variatie in de uitkomsten na chirurgie. Om dit in de toekomst te verbeteren, moeten de oorzaken van deze verschillen geanalyseerd worden.
Francken schrijft in haar proefschrift over mogelijke verbeterpunten in de voorbereidende fase en de behandeling van patiënten met deze vorm van galwegkanker. Ook gaat ze in op het effect daarvan op de uitkomst voor patiënten. Ze concludeert dat artsen patiënten goed moeten voorbereiden op een operatie. Zo is het belangrijk om de diagnose te bevestigen en te bepalen in hoeverre er geopereerd kan worden. Ook is het van belang om vast te stellen hoe de lever na de operatie zal functioneren.
In de praktijk zijn een aantal aanpassingen al doorgevoerd, schrijft Franken. Maar een hoop vragen zijn nog steeds onbeantwoord. De promovenda adviseert om in de toekomst de rol van levertransplantatie en experimentele behandelingen verder te onderzoeken.
Link naar proefschrift

Vrijdag 3 juli
Promotie (UvA), 11.00 u, online
Susan Mercieca: Bestraling van longkanker optimaliseren
Radiotherapie, met of zonder chemotherapie, is belangrijk in de behandeling van longkanker. Bij radiotherapie gaat het om de precieze toediening van straling aan de tumor. Om de behandeling nauwkeurig te kunnen uitvoeren, moet de arts het bruto tumorvolume (GTV) nauwkeurig in kaart brengen. Meestal gebeurt dat met computertomografie (CT-beelden). Door het slechte contrast is het soms moeilijk om de tumor te onderscheiden van de aangrenzende weefsels. Dat leidt tot grote verschillen in interpretatie en variaties tussen artsen die de beelden beoordelen.
De definitie van GTV is vaak beschreven als de zwakste schakel in de radiotherapie. Door de onnauwkeurigheid kunnen artsen de tumor missen of normaal weefsel onnodig bestralen.
Mercieca onderzocht de mogelijkheden om de definitie van de GTV te optimaliseren, door het verbeteren van eenvoudige autosegmentatietools, het verbeteren van de beeldkwaliteit en het ontwikkelen van nieuwe trainings- en kwaliteitsborgingsmethoden (QA).
Ze concludeert onder andere dat nog steeds niet mogelijk is om de variatie tussen de beoordelaars in de definitie van de GTV via één enkele ingreep te elimineren. Wel kunnen verbeteringen in de beeldkwaliteit deze variaties soms verminderen. Verder schrijft de promovenda over het belang van training, interprofessionele samenwerking en QA-controles.
Link naar proefschrift

Vrijdag 3 juli

Promotie (UvA), 12.00 u, online
Felicia Houttuijn Bloemendaal: Therapie van chronische darmziekten verbeteren
Houttuijn Bloemendaal onderzocht het werkingsmechanisme van anti-TNF therapie bij chronische darmziekten zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. De behandeling werkt bij ruim de helft van de patiënten goed, maar slaat bij de andere helft niet aan.
Bij de behandeling wordt gebruik gemaakt van anti-TNF-antilichamen. Zo’n antilichaam bestaat uit twee armen en een staart, genaamd de Fc-staart. Elke arm kan een TNF-eiwit blokkeren. De Fc-staart wordt herkend door eiwitten opmacrofagen, bepaalde afweercellen. De Fc-staart past precies op die eiwitten, als een sleutel in een slot.
Tot dusver dachten artsen dat de Fc-staart niet relevant is voor de effectiviteit van de anti-TNF therapie. Houttuijn Bloemendaal toont in haar studie echter aan dat deze Fc-staart wel belangrijk is voor de genezende werking van anti-TNF. Ze deed haar onderzoek in muizen met chronisch ontstoken darmen. Uit de resultaten bleek ook dat de macrofagen een sturende rol hebben. Houttuijn Bloemendaal schrijft dat het werkingsmechanisme verder ontrafeld moet worden om de anti-TNF-therapie bij patiënten verder te verbeteren of de werking ervan te voorspellen.
Link naar proefschrift

Vrijdag 3 juli
Promotie (UvA), 13.00 u, online
Reinie Gerrits: Cijfers over gezondheid en zorg verantwoord gebruiken

De FIAT-Health 2.0 is een instrument waarmee onderzoekers, communicatiemedewerkers, journalisten en besluitvormers cijfers over gezondheid en zorg zorgvuldig kunnen beoordelen. Dit hulpmiddel helpt hen bij het vormen van een systematische en weloverwogen interpretatie van een publiek gerapporteerd cijfer over gezondheid en/of zorg. Het instrument is een van de resultaten van Gerrits.
De promovenda geeft inzicht in de wetenschappelijke en publieke rapportering van gezondheidszorgonderzoek (GZO). Dergelijke studies richten zich vaak op vraagstukken die maatschappelijk in de belangstelling staan, zoals eigen bijdragen in de zorg, evaluatie van kwaliteitsverbetering, kosteneffectiviteit van medicijnen, versterking van de positie van patiënten, therapietrouw en effecten van gezondheidszorgbeleid. Door te bestuderen hoe gebruikers van wetenschappelijke data en cijfers over gezondheid en gezondheidszorg interpreteren, en hoe onderzoekers resultaten van gezondheidszorgonderzoek rapporteren, kan een verantwoorde GZO-praktijk bevorderd worden.
Gerrits benadrukt dat gezondheidszorgonderzoekers verantwoordelijk zijn om te anticiperen op maatschappelijke interesse en gebruik van onderzoeksbevindingen en om hierop te reflecteren.
Link naar proefschrift

Vrijdag 3 juli
Promotie (VU), 13.45 u, online
Marloes Tenten-Diepenmaat: Multidisciplinaire voetzorg
Voetproblemen, zoals pijn en veranderingen in de vormen de stand van de voeten, komen veel voor bij patiënten met reumatoïde artritis (RA) en leiden vaak tot beperkingen in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten. Voetzorg richt zich op vermindering van de ontstekingen in de voeten, bijvoorbeeld met behulp van speciale zolen en/of schoenen. Verschillende zorgverleners zijn betrokken bij deze voetzorg. Diagnostiek en behandeling zouden gebaseerd moeten zijn op wetenschappelijke literatuur en de kennis van zorgverleners en patiënten, een actueel overzicht van de multidisciplinaire voetzorg bij patiënten met RA was helaas niet voorhanden. Het onderzoek van promovenda Tenten-Diepenmaat heeft geleid tot multidisciplinaire aanbevelingen voor de diagnostiek en behandeling van voetproblemen bij patiënten met RA. Het doel is meer uniformiteit in diagnostiek en behandeling, tijdige verwijzing tussen disciplines en verbeterde communicatie tussen zorgverleners onderling en tussen de zorgverlener en de patiënt. Ze vormen zo de basis voor een betere kwaliteit en organisatie van de voetzorg.
Tenten-Diepenmaat onderzocht daarnaast de rol van drukmetingen onder de voeten bij de behandeling met zooltherapie. De directe feedback van drukmetingen in de schoen, tijdens het lopen, geeft meer inzicht in de behandeldoelen voor de individuele patiënt, maar ook aan het evalueren en aanpassen van de zooltherapie. Zooltherapie is ontwikkeld met behulp van drukmetingen en leidt tot klinisch relevante uitkomsten voor de patiënt.
Link naar proefschrift

Vrijdag 3 juli

Promotie (UvA), 14.00 u, online
Sanne Braam: Behandeling onvruchtbaarheid geëvalueerd
Eén van de belangrijkste oorzaken van onvruchtbaarheid is een cyclusstoornis. De meest voorkomende cyclusstoornis is een WHO type II ovulatiestoornis. Hieronder valt het polycysteus ovariumsyndroom (PCOS). De behandeling van deze stoornis bestaat uit clomipheencitraat tabletten om de eisprong te stimuleren. Werkt dat niet voldoende, dan zijn er hormooninjecties. Een alternatief is een kijkoperatie (een LEO procedure). Als laatste kan worden overgegaan op een in vitro fertilisatie (IVF) behandeling. Eén van de complicaties van IVF is ovarieel hyperstimulatie syndroom (OHSS). Vrouwen met PCOS lopen een verhoogd risico op OHSS. In vitro maturatie (IVM) is een alternatieve behandeling voor IVF die wordt aangeboden om OHSS te voorkomen. Braam evalueert de effectiviteit, veiligheid en kosten van de verschillende behandelingsopties met speciale aandacht voor het voorkomen OHSS.
Braam concludeert dat vrouwen met een WHO II ovulatiestoornis een goede kans hebben op een kind. Daarnaast bevestigt ze de rol van clomipheencitraat als eerstelijnsbehandeling bij vrouwen met deze ovulatiestoornis. Het onderzoek van Braam biedt relevante informatie voor alle partijen in de fertiliteitszorg en kan nuttig zijn voor de begeleiding van patiënten en bij de counseling van paren die meer willen weten over hun behandelopties.
Link naar proefschrift