Wetenschapsagenda eerste helft januari 2019

Overzicht van de promoties, oraties, symposia en bijeenkomsten van het Amsterdam UMC, locatie AMC.

09/01
Promotie
Rol van een eiwit op de ontwikkeling van het hart
Stuti Prakash: ‘The role of Follistatin-like 1 (Fstl1) in the developing heart’.
Aangeboren hartafwijkingen (CHD) zijn een van de meest voorkomende typen aangeboren afwijkingen. Dit komt voor bij iets minder dan één procent van de levendgeborenen. De moleculaire oorzaak van deze hartafwijkingen is grotendeels onbekend, hoewel er veel onderzoek naar wordt gedaan. Enkele jaren geleden is vastgesteld dat het eiwit Follistatine-like 1 (Fstl1) een rol speelt bij het ontstaan ervan.
Het eiwit Fstl1 wordt door cellen uitgescheiden en komt in verschillende plekken van het hart tot expressie. Dat gebeurt tijdens de ontwikkeling van het orgaan, maar ook als het hart volgroeid is. Dit proefschrift heeft gepoogd de rol van het eiwit in kaart te brengen. Prakash vond een nieuw signaalpad dat geregeld wordt door Fstl1. Het eiwit regelt een belangrijke overgang in de groei van hartcellen net na de geboorte. Ook is het eiwit van belang voor het bindweefsel van een bepaalde hartklep.
Prakash gebruikte voor haar onderzoek muizen die geen Fstl1 hadden. Dit leidde tot de dood bij geboorte, als gevolg van ademnood. Deze muizen vertoonden verder een reeks van afwijkingen waaronder hart-, long- en skeletafwijkingen. Op basis daarvan kon de onderzoeker haar conclusies trekken.
Promotor: prof. dr. V.M. Christoffels
Co-promotor: dr. M.J.B. van den Hoff
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 12.00 uur

09/01
Promotie
Rol gen UBE3A bij het syndroom van Angelman
Rosella Avagliano Trezza: ‘A matter of perspective: the multifaceted role of UBE3A in Angelman syndrome development’.
Deze promotie kijkt naar het syndroom van Angelman. Dat is een aangeboren stoornis in het centraal zenuwstelsel waarbij sprake is van een verstandelijke beperking, naast typisch gedrag en gelaatstrekken. De onderzoeker heeft gekeken naar de rol van het gen UBE3A, dat de functie van ubiquitine beïnvloedt. Het eiwit ubiquitine reguleert het functioneren en de afbraak van eiwitten in een cel. Uit dit onderzoek blijkt nu dat het bewuste gen een onbekende, nieuwe rol kan hebben. De verschillende sterk gelijkende vormen van het gen, zijn van grote invloed op de activiteit van het gen. In het verleden werd gedacht dat de oorzaak van het syndroom van Angelman te maken had met een een afwijking van de synapsen, de contactplek tussen twee zenuwcellen. Met deze studie wordt de aandacht verlegd naar de kern van zenuwcellen.
Promotores: dr. B. Distel en prof. dr. N. Zelcer
Co-promotor: prof. dr. J.M.F.G. Aerts
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 14.00 uur

10/01
Promotie
Artritis en het risico op hart- en vaatziekten
Samina Turk: ‘The evolution of early arthritis and cardiovascular risk’.
Bij patiënten met reumatoïde artritis is het belangrijk om het risico op hart- en vaatziekten te bepalen en dit te verlagen. Dit kan door leefstijlveranderingen en het voorschrijven van medicijnen tegen hoge bloeddruk of hoog cholesterolgehalte. Ook moet de arts de reumatoïde artritis zo goed mogelijk behandelen. Dit stelt Turk in haar proefschrift over artritis en het risico op hart- en vaatziekten.
Reumatoïde artritis kent verschillende risicofactoren. Momenteel kunnen alleen leefstijlveranderingen zoals stoppen met roken dit risico verlagen. Patiënten hebben op het moment van de diagnose vaker een ongunstige verhouding van spier- en vetmassa. Hartgeleidingsstoornissen komen niet vaker voor. Het risico op hart- en vaatziekten is wel verhoogd en dit verandert na behandeling van de reumatoïde artritis.
Een ander punt van onderzoek van Turk is dat een derde deel van de patiënten het niet eens is met de dokter over het hebben van remissie. Dat wil zeggen dat de ziekte zich rustig houdt en de klachten niet verergeren. Patiënten nemen bij het beoordelen van hun ziekte vooral pijn, slaap en emotioneel welbevinden mee. De onderzoeker stelt voor een nieuwe definitie van remissie op te stellen. Dat patiënten en artsen andere aspecten van ziekteactiviteit belangrijk vinden, moet daarin worden meegenomen. Ze pleit ervoor om patiënten meer te betrekken bij beslissingen over de zorg voor hun gezondheid.
Promotores: prof. dr. D. van Schaardenburg en prof. dr. M.T. Nurmohamed
Co-promotor: prof. dr. W.F. Lems
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 10.00 uur

10/01
Promotie
Vroege opsporing reumatoïde artritis
Marian Tas: ‘Psychological and biological features influencing  the risk for rheumatoid arthritis’.
Een combinatie van genetische factoren, verstoring van het afweersysteem en omgevingsfactoren bepaalt het risico op reumatoïde artritis (RA). Er bestaat nog geen goede screeningsmogelijkheid om patiënten tijdig op te sporen. Voorafgaand aan de gewrichtsontsteking bestaan er al meer spier- en gewrichtsklachten, depressieve klachten, infecties en overige ziekten.
Tas heeft een vragenlijst gemaakt die de klachten goed kan meten. Uit haar onderzoek blijkt dat het eiwit 14-3-3η en veranderingen over de tijd van de afweerstoffen reumafactor en anti-CCP, de ontwikkeling van RA niet goed voorspellen. Andere factoren, zoals B-cel receptorklonen en echografie, bleken wel goed tot zeer goed voorspellend te zijn.
Dit proefschrift biedt meer inzicht in de risicofase voorafgaand aan reumatoïde artritis. Tas hoopt hiermee het ontstaan van reumatoïde artritis in de toekomst beter te kunnen voorspellen. Hiermee kunnen personen met een sterk verhoogd risico eerder worden opgespoord, zodat de reumatoloog tijdig kan beginnen met de behandeling en gewrichtsschade op de lange termijn wordt voorkomen.
Promotor: prof. dr. D. van Schaardenburg
Co-promotores: dr. M.M.J. Nielen en dr. N. de Vries
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 12.00 uur

10/01
Promotie
Minder urine incontinentie na verzakkingsoperatie
Marinus van der Ploeg: ‘Prediction and prevention of stress urinary incontinence after prolapse surgery’.
Vrouwen die een verzakkingsoperatie ondergaan, hebben minder kans op zogenoemde stressurine-incontinentie (SUI) als ze tijdens de ingreep ook een incontinentiebandje krijgen. Het nadeel hiervan is dat de kans op complicaties toeneemt. Dit is de uitkomst van het proefschrift van Van der Ploeg over het voorspellen van ongewenst urineverlies na de ingreep én of dit te voorkomen is.
De promovendus stelt dat SUI na een verzakkingsoperatie redelijk goed te voorspellen is met een model.
SUI is een onwillekeurige urinelozing bij verhoogde druk ('stress') in de buikholte, bij koorts, hoesten, niezen, lachen, tillen, persen, sporten, vrijen of plotselinge houdingsveranderingen. Ongeveer één op de acht vrouwen heeft een hoog risico op SUI. Van der Ploeg stelt dat de aandoening kan worden verholpen door bij de verzakkingsoperatie een incontinentiebandje aan te brengen. Als het risico op SUI 14 procent of hoger is, zullen de voordelen van een verzakkingsoperatie met een incontinentiebandje opwegen tegen de nadelen, zo stelt de onderzoeker.
Verzakkingsoperaties worden nu niet vaak met een incontinentiebandje gecombineerd. Daardoor hebben sommige vrouwen na zo’n operatie behoorlijke klachten en is er soms een tweede operatie nodig. Dit kan worden voorkomen door de kans op incontinentie in te schatten en vrouwen met een hoog risico op SUI direct bij de verzakkingsoperatie óók een incontinentieband aan te bieden.
Promotores: prof. dr. J.P.W.R. Roovers en prof. dr. C.H. van der Vaart
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 14.00 uur

11/01
Promotie
Mogelijke therapie voor ziekte van Kahler
Zenin Ren: ‘Heparan sulfate proteoglycans: key moderators of the interaction of multiple myeloma with the bone marrow niche’.
Bepaalde eiwitten die zich op het oppervlak van en in de ruimte tussen cellen bevinden, kunnen een mogelijk medicijn zijn voor de ziekte Multiple myeloom (ziekte van Kahler, een vorm van beenmergkanker). Dit stelt Ren in zijn proefschrift naar mogelijkheden voor een betere behandeling van de ziekte.
Hoewel er gedurende ruim twintig jaar onderzoek belangrijke stappen voorwaarts zijn gezet bij de behandeling, is de ziekte nog ongeneeslijk. Uit zijn studie blijkt dat een eiwit op het oppervlak van de cellen (heparan sulfate proteoglycans) een belangrijke rol speelt bij de interactie tussen de ziekte en het beenmerg. Deze interactie leidt tot de groei van cellen die te maken hebben met de ziekte en resistentie van de cellen tegen de medicijnen voor de ziekte. Zen verwacht dat heparan sulfate proteoglycans een potentieel interessant doel kan zijn om de ziekte van Kahler te behandelen.
Promotor: prof. dr. S.T. Pals
Co-promotor: dr. M. Spaargaren
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 10.00 uur

11/01
Promotie
Niet vaginaal douchen
Charlotte van der Veer: ‘Vaginal microbes in sexual health and disease’.
Vaginaal douchen valt af te raden. De spoeling van de schede met een vloeistof die door een injectiespuit wordt ingebracht, lijkt de samenstelling van de microbiotica in de vagina te verslechteren. Dit verhoogt de kans infecties. Dit stelt Van der Veer in haar proefschrift over de bacteriën die van nature voorkomen in de vagina en het oplopen van seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Ook keek ze welke factoren de samenstelling van bacteriën beïnvloeden.
Uit haar onderzoek blijkt dat zogenoemde lactobacteriën de meeste bescherming bieden. Van der Veer deed onderzoek bij vrouwen die naar GGD in Amsterdam kwamen omdat ze waren gewaarschuwd dat ze mogelijk chlamydia hadden opgelopen. De vrouwen met de goede lactobacteriën hadden de soa veel minder vaak opgelopen dan vrouwen met een minder goede bacterie-samenstelling. Vrouwen van Europese komaf bleken verder vaak betere bacteriën te hebben dan vrouwen van andere etniciteiten. Van der Veer toonde aan dat vaginaal douchen het aantal goede bacteriën verlaagt.
Promotores: prof. dr. H.J.C. de Vries en prof. dr. R. Kort
Co-promotores: dr. S.M. Bruisten en dr. R. van Houdt
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 12.00 uur

11/01
Promotie
Regulatie van afweer
Astrid Thielen: ‘Regulation of complement activation on red blood cells’.
Het complementsysteem, een onderdeel van het aangeboren immuunsysteem, speelt een belangrijke rol bij de verdediging tegen ziekteverwekkers. Rode bloedcellen zijn de meest voorkomende bloedcellen. Op hun reis door het lichaam zijn deze cellen voortdurend in contact met componenten van dat complementsysteem. Thielen toonde aan dat onder normale omstandigheden regulatoren, die aanwezig zijn op het celmembraan en in het plasma, de rode bloedcellen beschermen tegen ongewenste complement activatie.
Thielen heeft in haar proefschrift verduidelijkt hoe complement-activatie wordt gereguleerd op rode bloedcellen onder normale omstandigheden, tijdens rode bloedceltransfusies en bij hemolytische aandoeningen. Dat zijn aandoeningen waarbij de rood bloedcellen in het lichaam uit elkaar vallen. Verder heeft ze cellijnen gemaakt waarbij de regulatoren op het celmembraan ontbreken om zo hemolytische aandoeningen na te bootsen. In die proeven heeft ze de functie van de bekende complementregulatoren kunnen bevestigen. Bovendien toonde ze aan dat rode bloedcellen, aanwezig in een rode cel concentraat dat wordt bewaard volgens de bewaarcondities van de Nederlandse Bloedbank, geen complementdepositie op hun celmembraan vertonen.
Promotores: prof. dr. S.S. Zeerleder en prof. dr. S.M. van Ham
Co-promotor: dr. D. Wouters
Plaats en tijd:  Agnietenkapel, 14.00 uur

11/1
Oratie
Van slag

Ter gelegenheid van zijn benoeming tot hoogleraar Klinische electrofysiologie van het hart, in het bijzonder atriumfibrilleren, houdt prof. dr. Joris de Groot zijn oratie, getiteld ‘Van slag’.
Atrium- (of boezem)fibrilleren is de meest voorkomende hartritmestoornis. Een deel van de patiënten wordt behandeld met medicatie, of katheter- of chirurgische ablatie. Dat laatste is het blokkeren van de elektrische prikkels in het hart die het ritme verstoren.
Deze behandelingen leiden in een aantal patiënten niet tot afname of eliminatie van de ritmestoornis. In zijn oratie betoogt De Groot dat er ruimte is voor het verbeteren van technieken, maar dat de grootste winst te behalen valt door de juiste behandeling aan de juiste patiënt te bieden.
Om dit soort personalized medicine of precision medicine te kunnen toepassen moeten we op fundamenteel niveau begrijpen wat het verschil is tussen patiënten bij wie een ingreep succesvol verloopt en patiënten bij wie de ingreep geen succes heeft. In zijn rede zet De Groot uiteen op welke wijze het onderzoek naar zulke verschillen plaatsvindt.
Plaats en tijd:  Aula, 16.00 uur