24 jan 2019 | Verhaal

Hartchirurgie kan niet zonder vertaling onderzoek naar patiënt

“Basaal onderzoek vertalen naar de patiënt is essentieel voor de ontwikkeling en verbetering van ons vak”, stelt Jolanda Kluin. Zij is de eerste vrouwelijke hartchirurg in Nederland die hoogleraar is geworden, en in Europa de derde. Officieel heet haar leerstoel ‘Translational Cardiothoracic Surgery’. Kluin bezet deze al enkele maanden en spreekt vandaag, 24 januari, haar oratie uit getiteld ‘The road not taken’.

Wat bedoel je met de titel van je oratie?
“Mijn oratie gaat over translationeel onderzoek, dat houdt in dat we alles wat we vinden in het laboratorium of in dierstudies vertalen naar de mens. In de cardiothoracale chirurgie is dat vaak een ‘road not taken’, een weg die niet wordt ingeslagen. Hartchirurgen doen wel veel klinisch onderzoek – wat doet deze behandeling bij die patiënt – en dat is nuttig. Maar translationeel onderzoek kan het verschil maken voor de patiënt.”

Hoe komt het dat die wetenschappelijke cultuur in klinieken voor hartchirurgie vaak ontbreekt?
“Op een afdeling Hartchirurgie werken zo’n drie tot tien chirurgen. Dat is te weinig om er een lab neer te zetten voor wetenschappelijk onderzoek. Daardoor zijn wij afhankelijk van samenwerking met andere vakgebieden. Bovendien, als je zelf tijdens je opleiding of je promotie-traject nooit basaal of toegepast wetenschappelijk onderzoek hebt gedaan, dan mis je die ervaring. Onze afdeling is te klein om chirurgen in opleiding of promovendi dagelijks bij dit soort research te begeleiden. En dat is nodig. We moeten ons daarom aansluiten bij andere labs.
Veel hartchirurgen ontbreekt het aan ervaring met basaal wetenschappelijk onderzoek. Daarom ben ik zo blij met deze leerstoel. Zelf heb ik het geluk gehad dat ik als promovendus aan de slag kon bij het Laboratorium voor Experimentele Chirurgie in Rotterdam, waardoor ik die ervaring wél kon opdoen.”

Heeft de hartchirurgie in Amsterdam UMC die wetenschappelijke cultuur inmiddels wel?
“Niet in de zin dat we een lab hebben. Maar in de afgelopen jaren zijn we steeds meer gaan samenwerken met afdelingen die fundamenteel onderzoek doen. Zoals met Pathologie, Experimentele Cardiologie, maar ook met de Technische Universiteit Eindhoven, het Amsterdamse natuurkundig onderzoeksinstituut AMOLF en de universiteit van Utrecht, waar we alle dierexperimenten uitvoeren, zoals het testen van hartkleppen.
Overigens hoeft een hartchirurg niet zelf in het lab te staan om wetenschappelijk onderzoek te doen. Qua tijdsinvestering leent ons vak zich daar niet goed voor. Dat soort studies kunnen anderen prima doen. De chirurg kan het onderzoeksveld richting geven en samenwerking met andere afdelingen bevorderen.”

Waarom is het zo belangrijk dat hartchirurgen translationeel onderzoek doen?
“De hartchirurgie zou niet hebben bestaan zonder translationeel onderzoek. Neem de hart-longmachine die het bloed van de patiënt laat stromen en van zuurstof voorziet tijdens operaties waarbij het hart moet worden stilgezet. De ontwikkeling daarvan is begonnen in het lab en na onderzoek met proefdieren is het apparaat bij de mens ingezet. Zo is het ook met kunstmatige hartkleppen gegaan. Verdere verbetering daarvan vindt vervolgens in de operatiekamer plaats.
In de beginjaren van de hartchirurgie is het steeds op die manier gegaan. Inmiddels is de techniek zo geperfectioneerd, dat er nieuwe vindingen nodig zijn om de perspectieven voor patiënten verder te verbeteren. Zoals technieken uit andere vakgebieden. Bijvoorbeeld regeneratieve geneeskunde of 4D flow MRI, beeldvorming waarmee je bloedstromen in het hart kunt zien en dus ook vernauwingen.”

Welke belangrijke innovaties komen eraan in de hartchirurgie waarbij translationeel onderzoek een grote rol speelt?
“We werken samen met ingenieurs en natuurkundigen aan een hybride hart dat uit zachte robotdelen en lichaamseigen weefsel bestaat. Hiermee brengen we nieuwe technieken als soft robotics en tissue engineering naar de praktijk van de hartchirurgie. Daar heeft zich een bedrijf bij aangesloten dat ervoor zorgt dat het hybride hart via de huid kan worden opgeladen in plaats van via een dikke kabel die uit je lijf komt. Hartchirurgen kunnen deze experts richting geven. Want ze staan in de operatiekamer én weten wat er in andere onderzoeksvelden gebeurt en mogelijk is.
We hopen het hybride hart binnen tien jaar te kunnen implanteren. Het is bedoeld voor patiënten die dringend een donorhart nodig hebben, maar die vaak een bepaalde tijd moeten overbruggen omdat er een tekort is aan donorharten.
Daarnaast zijn we al tien jaar bezig met het ontwikkelen van lichaamseigen hartkleppen, die mee kunnen groeien. Daar is grote behoefte aan bij kinderen die een nieuwe hartklep nodig hebben. Zij moeten vaak opnieuw geopereerd worden omdat de huidige kleppen van metaal of van een dier niet meegroeien en op een gegeven moment dus te klein zijn geworden. De bedoeling is om een klep te maken van synthetisch materiaal dat biologisch afbreekbaar is. Een soort mal waarop zich lichaamseigen cellen hechten die uiteindelijk de nieuwe hartklep gaan vormen.”

Tekst: Irene van Elzakker
Foto: Dirk Gillissen