Sneller naar huis

Meteen thuis herstellen na een cardiologische ingreep, het ligt binnen handbereik. De technologie om de vitale gegevens van een patiënt in zijn eigen omgeving in de gaten te houden is er: een pleister met draadloze sensoren die hetzelfde meten als de apparaten in het ziekenhuis.

Student technische geneeskunde Mathilde Hermans staat klaar als een tachtigjarige patiënt de cathkamer wordt binnengereden, iPad in de aanslag. De bejaarde man krijgt deze ochtend een nieuwe hartklep, die via de lies wordt ingebracht. Tijdens de ingreep is hij volledig bij bewustzijn en wordt hij al pratend met de anesthesist door de procedure geloodst terwijl interventiecardioloog Marije Vis samen met haar collega de klep via een katheter naar het hart leidt.

Vlak voor de ingreep is bij de patiënt een pleister met sensoren aangebracht die via een draadloze internetverbinding informatie kan doorgeven over onder andere zijn hartslag, temperatuur en ademhaling. Hermans vangt de signalen op en kijkt of de gegevens die op haar iPad verschijnen, matchen met wat de monitors in de cathkamer laten zien. Dat zal de dagen na de ingreep ook gebeuren als de patiënt op de hartbewaking verblijft.

Voor haar afstuderen onderzoekt Hermans of de sensor in de pleister juist weergeeft wat hij moet meten. Daarnaast wordt de verbinding tussen sensoren en iPad getest: is deze stabiel? “We willen eerst weten of de techniek veilig en betrouwbaar is. Dat hebben we bij gezonde mensen onderzocht en nu volg ik patiënten die een nieuwe hartklep via de lies krijgen. Zij mogen niet eerder naar huis, maar liggen eerst op de hartbewaking. Eigenlijk meten we de vitale functies dus dubbel, op zowel de reguliere als de nieuwe manier. Zo kunnen we op een veilige manier onderzoeken of de pleister bruikbaar is.”

Onnodig lang

Uiteindelijk is het de bedoeling dat patiënten na het inbrengen van de hartklep – een procedure die TAVI (Transcatheter Aortic Valve Implantation) heet – sneller naar huis kunnen dan nu het geval is. Hermans: “Na een dag zijn de meesten voldoende hersteld van de ingreep om weg te mogen, maar volgens de richtlijnen moet een patiënt na een TAVI minimaal 72 uur gemonitord worden in het ziekenhuis. In de praktijk liggen ze hier drie tot veertien dagen op de hartbewaking of op een verpleegafdeling waar ze met een kastje rondlopen dat hun hartritme meet. Een verpleegkundige houdt via een aantal monitors bij de balie de signalen van het kastje in de gaten. Dat moet omdat er na een hartklepvervanging hartritme- en geleidingsstoornissen kunnen optreden. Die zijn lang niet altijd levensbedreigend, maar in het AMC heeft zes procent van de patiënten daardoor toch een pacemaker nodig. Dat betekent ook dat een heel grote groep onnodig lang in het ziekenhuis ligt.”

Samen met collega Jan Baan, die jaarlijks ook een groot aantal TAVI’s uitvoert en aan het hoofd staat van het TAVI-onderzoeksteam, vroegen de artsen zich af hoe dit opgelost kan worden. Dat leidde tot het telemonitoringproject met draagbare sensoren.

Minder kans op complicaties

De voordelen van het volgen van de patiënt op afstand zijn groot. Allereerst voor patiënten zelf. Mensen die een TAVI ondergaan, hebben een verkalkte of lekkende hartklep en zijn daardoor snel moe en kortademig. Ze ondervinden ernstige beperkingen in hun dagelijkse bezigheden. Zodra de klep vervangen is, knappen ze snel op en kunnen ze weer van alles. Niets is frustrerender dan nog eens minstens drie dagen op een hartbewaking of verpleegafdeling te moeten doorbrengen. Met behulp van telemonitoring zouden de patiënten eerder hun dagelijkse routine kunnen oppakken. Ook hebben ze minder kans op complicaties die kunnen ontstaan door het verblijf in het ziekenhuis.

Daarnaast zijn er voordelen voor het ziekenhuis: zorg voor hartpatiënten wordt efficiënter en bedden op de afdeling Cardiologie komen sneller beschikbaar voor anderen. Een korter verblijf in het ziekenhuis verlaagt bovendien de kosten. En dat hoeft niet alleen voor de TAVI’s te gelden, ook andere groepen patiënten zouden in de toekomst van telemonitoring kunnen profiteren.

“Maar voordat we patiënten eerder naar huis laten gaan, willen we zeker weten dat de techniek goed werkt en dat het signaal zonder haperen doorkomt”, vertelt Hermans. “De pleister zendt live gegevens naar een tablet of smartphone waar een speciale app op is geïnstalleerd. Die stuurt de informatie weer naar een server, waar de arts of verpleegkundige de gegevens vanaf kan halen. Als de verbinding wegvalt, kan dit problemen geven. Het is daarom nodig dat goed wordt onderzocht hoe je dit kunt voorkomen, en hoe je hiermee kunt omgaan.”

Er zijn nog andere hobbels te nemen voordat de techniek echt in gebruik genomen kan worden. Kan dezelfde kwaliteit van zorg geboden worden op afstand? Hoe gaat het in zijn werk als de sensoren alarm slaan? En hoe zit het met de beveiliging van de gegevens die draadloos verzonden worden? Is de privacy van de patiënt voldoende gewaarborgd?

Om deze vragen gaat het nu nog niet in de cathkamer. Eerst maar eens kijken of de huidige sensoren bruikbaar zijn. “De exemplaren die we uitproberen, zijn ontwikkeld voor gezonde mensen. Daaraan is een standaard-applicatie verbonden die al op de markt verkrijgbaar is”, vertelt technisch geneeskundige Martijn van Mourik, die de pleister gebruikt voor zijn promotieonderzoek bij het AMC Hartcentrum. “Hier ligt meteen de meerwaarde van ons relatief nieuwe specialisme. Technisch geneeskundigen kunnen nagaan of de sensoren geschikt zijn voor ónze doeleinden. En ik kan je nu al zeggen: je moet de foldertjes van de fabrikant niet zomaar geloven.”

“De invoering van zo’n systeem heeft een enorme impact op de organisatie van een ziekenhuis”

Terwijl Van Mourik en Hermans over hun onderzoek vertellen, zit de hartklep bij de bejaarde patiënt al bijna op zijn plek. Om dat goed te kunnen doen, moet de hartslag door middel van een pacemakerdraad zodanig opgevoerd worden, dat het lijkt alsof het hart stilstaat. Dat is het moment waarop de klep uitgevouwen wordt. De iPad van Hermans pikt het veranderende ECG (electrocardiogram) moeiteloos op. En signaleert vervolgens een kleine geleidingsstoornis in het hart waarvan de patiënt niet eens wat merkt.

“Hier ben ik blij mee”, zegt Hermans. “Dit is de reden waarom je mensen na een TAVI een tijdje moet monitoren. Zo ontdek je wie uiteindelijk een pacemaker of medicijnen nodig heeft om een geleidings- of ritmestoornis op te vangen.” Om dat via de pleister te kunnen doen, is een algoritme ontwikkeld dat de informatie analyseert die de sensoren doorgeven en ervoor zorgt dat de arts een waarschuwing krijgt als er iets loos is.

Door zo’n algoritme biedt het gebruik van sensoren nog veel meer mogelijkheden. Bijvoorbeeld voor wetenschappelijk onderzoek. Van Mourik gaat zijn proefschrift wijden aan de effecten van een TAVI op de gezondheid van de patiënt. Zo wil hij eventuele kwetsbaarheid van patiënten meetbaar maken. De sensoren in de pleister bieden daarvoor genoeg aanknopingspunten. Ze registreren namelijk niet alleen zaken als hartslag en ademhaling, maar ook beweging en fysiologische stress. Als iemand valt, kan dat door de gecombineerde gegevens te interpreteren ook opgepikt worden. Daardoor kan Van Mourik onderzoeken in hoeverre mensen er op vooruitgaan met een nieuwe hartklep; gaan ze bijvoorbeeld meer bewegen? “Uiteraard moeten ze dan al vóór de ingreep de pleister gaan dragen.”

Of het de huidige pleister moet worden die ze gaan gebruiken, is nog niet zeker, zegt Hermans. “Ik heb gemerkt dat de sensoren een erg handig hulpmiddel zijn. Maar ik liep ook tegen enkele technische beperkingen aan, zoals het af en toe wegvallen van de verbinding. Daarnaast zijn er organisatorische uitdagingen. De invoering van zo’n systeem heeft een enorme impact op de organisatie van een ziekenhuis. Artsen zijn enthousiast, maar willen zeker weten dat het werkt en dat het veilig is. Samen met de Universiteit Twente hebben we daarom een lijst van veiligheidseisen opgesteld waaraan de techniek moet voldoen.”

“Toch bijzonder om te zien dat zo’n pleistertje allerlei gegevens net zo goed weergeeft als al die dure apparatuur in het ziekenhuis”, zegt Van Mourik tijdens de TAVI. “Dit zou over tien jaar zomaar standaard kunnen zijn”, vult Hermans aan. “Al zal de patiënt er ook aan moeten wennen.”

Door Irene van Elzakker