Bevriezing (cryotherapie)

Het bevriezen van een litteken wordt cryotherapie genoemd. Het litteken wordt lokaal verdoofd en met stikstof bevroren met een soort wattenstaafje.

Dit gebeurt driemaal per behandeling. Tussen de bevriezingen kan het litteken ontdooien.

Na de behandeling ontstaat er eerst een blaar, vergelijkbaar met die van een kleine brandwond. Daarna komt er na een paar dagen een korstje op. Dit korstje valt er naar verloop van tijd af. Het litteken is dan platter en minder storend.

Soms zijn meerdere vervolgbehandelingen nodig. Er kan ook voor een combinatie worden gekozen met bijvoorbeeld het eerst verwijderen van een litteken en daarna cryotherapie. Of in combinatie met een injectie en siliconenbehandeling.

Cryotherapie; het bevriezen van een litteken
Cryotherapie; het bevriezen van een litteken

Nazorg

Na de cryotherapie verbindt uw behandelaar de plek die is behandeld. Als er een verdoving is gebruikt zal deze in de uren na de behandeling langzaam uitwerken. Dat kan gepaard gaan met een prikkelend of pijnlijk gevoel.

U krijgt paracetamol mee. Het advies is om de eerste dag om de vier uur 1 of 2 tabletten à 500mg te slikken.

De dagen na de behandeling ontstaat op de behandelde plek meestal een blaar. Er kan vocht uit de wond komen. Verbindt de wond met een vet gaasje en daaroverheen verbandgaas. Het vette gaasje voorkomt dat het verbandgaas vastplakt aan de wond. Voor deze verbandmiddelen krijgt u een recept mee.

Uiteindelijk zal de wond indrogen en kan er een korstje vanaf vallen. Zodra er geen wondvocht meer ontstaat, kunt u de wond gewoon aan de lucht laten drogen.

Er zijn geen beperkingen met douchen na de behandeling. De cryotherapie wordt vaak na zes weken nog een keer herhaald.