27 sep 2019 | Verhaal

Intensieve samenwerking met Universiteit van Ghana

Samenwerken met universiteiten in lage-inkomenslanden is een uitdaging: vaak is het gezamenlijk optrekken van korte duur en die universiteiten profiteren er amper van. Amsterdam UMC is er in geslaagd om een unieke samenwerking op poten te zetten met de Universiteit van Ghana (UvG) die, zo is het streven, blijvend is.

Gezamenlijke projecten waren er al (het eerste begon 11 jaar geleden): op het gebied van infectieziekten, de gezondheid van moeders en chronische aandoeningen als diabetes en hart- en vaatziekten. Ook zijn er promovendi die hun onderzoek zowel in Amsterdam als in Ghana doen. Maar die samenwerkingen waren versnipperd, meer tussen afdelingen. Er moest een bredere collaboratie komen, op universiteitsniveau, vonden zowel Amsterdam UMC als de UvG. Ze legden hun intenties vast in een memorandum van overeenstemming.

Een van de eerste uitkomsten van de nieuwe samenwerking is een Summer School. Aan de UvG werden deze zomer artsen (in opleiding), postdocs, promovendi en masterstudenten geneeskunde getraind in het interpreteren en opschrijven van onderzoeksresultaten voor wetenschappelijke publicaties. De Summer School was een succes: er waren 20 plekken die gemakkelijk gevuld werden met deelnemers van de drie belangrijkste universiteiten van Ghana.
Een gesprek met hoogleraren Charles Agyemang (afdeling Sociale Geneeskunde), die het samenwerkingsproject leidt, en Michaël Boele van Hensbroek (hoofd Global Child Health). Beiden waren aanwezig tijdens de Summer School om trainingen te geven.

Wat is de achtergrond van deze samenwerking, hoe zijn jullie bij Ghana uitgekomen?
Boele van Hensbroek: "Acht jaar geleden besloot de Raad van Bestuur dat internationalisering een speerpunt moest worden voor de universiteit. Er werd een projectgroep opgericht die samenwerkingen met buitenlandse instituten ging opzetten. Eerste kandidaat hiervoor was de Makerere University in Uganda. Vier jaar later waren we echter geen stap verder gekomen. Waarschijnlijk omdat wij moesten concurreren met Amerikaanse universiteiten die met grote zakken geld snel een samenwerking van de grond probeerden te krijgen. Vanwege ons beperkte budget zijn we uiteindelijk afgehaakt. Vervolgens kwam Ghana in beeld. Charles is daar geboren en had er al projecten lopen. Vanwege zijn contacten, en omdat er al vijf mensen werken die volledig door ons zijn opgeleid, is toen voor de UvG gekozen."

In welke zin is deze samenwerking uniek?
Agyemang: "Vaak zijn dit soort collaboraties top-down: een Europese of Amerikaanse universiteit zet even iets op en steekt daar een bepaald bedrag in om vervolgens weer weg te gaan. Daarmee eindigt ook het project. Wij mikken op lokaal eigenaarschap."
Boele van Hensbroek: "We richten ons op een mix van uitwisselingen op verschillende niveaus. Normaliter zie je dat artsen over en weer worden gestuurd, of studenten. In dit geval hoeft de uitwisseling niet gelijk te zijn. Je wisselt bijvoorbeeld een student uit tegen een specialist, of een verpleegkundige tegen een bibliothecaris."

Welke voordelen biedt dat?
Agyemang: "Doordat mensen in Ghana voelen dat het hún project is, verbinden ze zich er eerder aan en blijft het doorlopen. Een win-win-situatie. Beide universiteiten profiteren hiervan en zijn erbij gebaat om het project voort te zetten en tot een succes te maken. Zo krijg je een optimaal systeem om kennis uit te wisselen."

Wat steken onze studenten en artsen hiervan op?
Boele van Hensbroek: "De Nederlandse studenten krijgen in korte tijd veel dingen mee die ze niet zouden leren tijdens de opleiding in Amsterdam. En dan gaat het niet alleen om medische kennis (tropische geneeskunde), maar ook om het ervaren van het verschil in gezondheidszorgsystemen en cultuur."
Agyemang vult aan: "In Amsterdam zit een grote Ghanese populatie, dus we zien hier relatief veel Ghanese patiënten. Het is goed dat onze (toekomstige) artsen over hun cultuur leren. Maar ook voor de promovendi is een verblijf in Afrika een nuttige ervaring."

Het eerste concrete initiatief dat uit deze samenwerking is voortgekomen, is de Summer School. Waarom is daarvoor gekozen?
Agyemang: "Dit soort onderwijs is voor lage-inkomenslanden als Ghana vrij duur. Hun artsen en onderzoekers moeten voor het aanleren van bepaalde vaardigheden naar Europa reizen. Dat kost geld en tijd. Het scheelt een hoop als je zo’n training onderbrengt in de UvG. Niet alleen meer artsen en onderzoekers profiteren hiervan, maar ook studenten die vaak de middelen niet hebben om naar Europa te gaan, tenzij ze een beurs weten te bemachtigen."

Wat staat er verder nog te gebeuren, zijn er al concrete plannen?
Boele van Hensbroek: "De volgende stap is, op mijn vakgebied, een uitwisseling tussen kinderartsen. Sub-specialisten van Amsterdam UMC gaan korte tijd naar Ghana voor bijscholing en ‘leren-aan-het-bed’. Daarnaast zou het goed zijn als Ghanese kinderartsen in onze keuken komen kijken. Denk aan een stage op de Intensive Care of Neonatologie (de zorg voor te vroeg geboren kinderen, red.), waar het niet beheersen van de Nederlandse taal een minder grote barrière is."
Agyemang: "We proberen grotere aantallen studenten vanuit Amsterdam naar Ghana te sturen voor hun coschappen. Daarnaast hopen we volgend jaar weer een Summer School te organiseren, maar dan voor meer vakgebieden. Dit programma heeft een toekomst."

Tekst: Irene van Elzakker