24 jul 2020 | Verhaal

Vaste vroedvrouw als buffer tegen stress

Geboortezorg die aansluit bij wat vrouwen zelf willen, dat is waar Ank de Jonge voor pleit. De nieuwe hoogleraar Verloskundige wetenschap, die al ruim 25 jaar baby’s ter wereld brengt, is eind vorig jaar aangetreden. “Je zou willen dat de eigen verloskundige mee kan komen naar het ziekenhuis.”

Voor het eerst kent Nederland een gewone leerstoel Verloskundige wetenschap. En het is ook voor het eerst dat een verloskundige een leerstoel bekleedt. “Heel fijn dat de Vrije Universiteit dit vakgebied nu erkent”, zegt De Jonge, die daarnaast hoofd is van de onderzoeksafdeling Midwifery Science en de Academie Verloskunde Amsterdam Groningen (AVAG), een van de drie verloskunde-opleidingen in ons land. “Want de geboortezorg die vrouwen van dag tot dag krijgen, is nog te weinig onderzocht. Wereldwijd is er veel aandacht voor de kleine groep die complicaties ontwikkelt. De afgelopen decennia hebben een enorme daling van moeder- en babysterfte laten zien. Dat is fantastisch en daar moeten we zeker op in blijven zetten. Maar er mag ook aandacht zijn voor de dagelijkse zorg, en voor het feit dat vermijdbaar medisch ingrijpen de kosten opdrijft en de zorg onpersoonlijk kan maken.” Midwifery wordt meestal vertaald met ‘verloskunde’, maar dat dekt de lading niet helemaal”, zegt de hoogleraar. “Waar het om gaat is de ondersteunende, preventieve zorg die het vrouwen mogelijk maakt om op een manier te bevallen die bij hen past. Met alleen een medische ingreep als dat nodig is. Op een manier die er recht aan doet dat een kind krijgen een ingrijpende levensgebeurtenis is, en een fysiologisch proces; niet noodzakelijk of in de eerste plaats iets medisch. Want je wilt ook dat vrouwen na hun bevalling terugkijken op een goede ervaring, en dat zij er psychisch sterk uitkomen.”

Continuïteit en vertrouwdheid

“En daarbij is continuïteit van belang”, gaat De Jonge verder. “Wat we vaak vergeten, is iets simpels als een verloskundige waar je vertrouwd mee bent. Er zijn aanwijzingen dat het gunstig is als zwangere vrouwen worden begeleid door een klein team van vaste, vertrouwde zorgverleners. Als je die goed kent en weet dat je altijd kunt bellen, durf je misschien ook makkelijker dingen te bespreken, bijvoorbeeld dat je rookt. Want roken geeft een groter risico op problemen in de zwangerschap. Vooral bij vrouwen in kwetsbare situaties kan dit een groot verschil maken.” Uit internationaal onderzoek is gebleken dat vertrouwdheid met de zorgverlener(s) het aantal medische ingrepen en vroeggeboortes omlaag kan brengen. Een review van vijftien gerandomiseerde onderzoeken onder ruim 17.000 vrouwen liet zien dat continue zorg door verloskundigen een significant lagere kans geeft op inknippen, verdoven en tangverlossingen, en tot wel een kwart minder vroeggeboortes en zestien procent minder babysterfte. Resultaten uit ander onderzoek leken er op te wijzen dat continuïteit van het team zorgverleners een buffer is tegen stress. Bij zwangere vrouwen die ten tijde van een overstroming werden begeleid in de reguliere zorg was de spanning duidelijk gestegen, zo bleek uit vragenlijsten. Terwijl dat niet het geval was bij vrouwen die continue zorg van verloskundigen kregen. Dit zijn dus allemaal aanwijzingen dat continuïteit ertoe doet.”

Stap verder

Hebben we in Nederland dan onvoldoende continuïteit in de geboortezorg? Nee, legt De Jonge uit, en dat komt door de manier waarop die is ingericht. Als zwangere vrouw word je in principe het hele traject begeleid door de verloskundige. Bij een medisch probleem word je doorverwezen naar de gynaecoloog, die vanaf dat moment samen met de verloskundigen en de verpleegkundigen van het ziekenhuis de zorg overneemt. Dit is het geval bij wel veertig procent van de zwangerschappen. Tijdens de bevalling worden veel vrouwen alsnog overgedragen. In totaal bevalt in Nederland, waar jaarlijks ongeveer 170.000 kinderen geboren worden, uiteindelijk maar liefst zeventig procent niet bij de eigen verloskundige. “Dat vind ik zo rot: juist op het moment dat je het als zwangere vrouw moeilijk krijgt, verliezen we elkaar uit het oog. Je zou willen dat verloskundigen binnen en buiten het ziekenhuis meer één beroepsgroep worden: dat de eigen verloskundige mee kan komen naar het ziekenhuis en daar de bevalling doet, en de gynaecoloog erbij roept als het echt nodig is.

In veel andere landen is dit al zo. En dat is bijzonder, omdat wij op het gebied van geboortezorg lange tijd vooropliepen. Veel landen keken naar ons omdat vrouwen die geen medische risico’s hebben, de keuze krijgen waar ze willen bevallen en omdat veel zorg in de wijk en thuis plaatsvindt. Zo hebben Canada en Nieuw-Zeeland Nederland als voorbeeld genomen bij de herinrichting van hun geboortezorgsysteem. Alleen zijn ze daar een stap verder gegaan en biedt de verloskundige in de eerste lijn continuïteit van zorg van begin tot eind. Die stap moeten wij nog zetten.” Bij de veranderingen in Canada en Nieuw-Zeeland hebben cliëntorganisaties en zwangere en bevallen vrouwen een belangrijke rol gespeeld. Hier hebben we pas sinds kort organisaties die specifiek opkomen voor de belangen van vrouwen in de geboortezorg, zoals Zelfbewust Zwanger en de Geboortebeweging.”

Samen Sterk

Dit is waar de nieuwe leerstoel meerwaarde kan hebben, legt de hoogleraar uit. Zij wil – in afstemming met alle partijen – knowhow en visie op inrichting en kwaliteit van de geboortezorg verder ontwikkelen en vertalen naar aanbevelingen en beleidsadviezen. De Jonge benadrukt het belang van een goede samenwerking tussen verloskundigen en gynaecologen – die elkaars expertise aanvullen – maar ook van de inbreng van vrouwen zélf. Hoe kun je met de beperkte middelen de best mogelijke uitkomst bereiken, waarbij de cliënten centraal staan? “Als voorbeeld noem ik graag het Samen Sterk-project van onze onderzoekers in Groningen, waarbij interventies samen met ervaringsdeskundige vrouwen worden opgezet. Zij denken mee over de vraag wat voor vrouwen in kwetsbare situaties goed zou kunnen werken, dat is heel mooi. En de SWING-studie, waarin we een leernetwerk opzetten van vrouwen, zorgverleners en onderzoekers. We willen onder andere met intervisiegroepen werken, maar die kunnen vanwege corona nog niet opgestart worden. Daar hopen we in september mee te beginnen. Het mooie van deze studie is dat we niet alleen leren van wat fout gaat in de zorg, maar ook van wat juist goed gaat. En dat is gelukkig heel veel! Ik hoop dat de methode die we in deze studie gebruiken helpt om een betere balans te vinden tussen de verschillende visies op de geboortezorg.”

Nigeria

De Jonge is opgeleid in Engeland en Schotland. Door haar ervaring in het buitenland ontwikkelde ze internationale betrokkenheid, ook met zwangere vrouwen in lage-inkomenslanden, en een ruime blik. Zo praktiseerde ze onder andere drie jaar in Nigeria. “Dat is een dierbare ervaring. Het is een voorrecht om in een totaal andere cultuur te werken; daardoor leer je dat er meerdere wegen naar Rome zijn. Ik heb veel geleerd van de weerbaarheid van de Nigerianen, hun optimisme en hun geweldige gevoel voor humor.” Desondanks is er in veel landen nog veel te verbeteren. “Ik zit in een WHO-commissie, de Maternal and Perinatal Death Surveillance and Response Technical Working Group, die materialen ontwikkelt voor monitoring en audits van moeder- en babysterfte. Dan moet je denken aan richtlijnen voor het opzetten van een registratiesysteem voor sterfte.” Verloskundige wetenschap kan zo bijdragen aan verbetering van de geboortezorg wereldwijd. Waarbij leven en gezondheid worden bevorderd door aan te sluiten bij wat vrouwen willen: respectvolle en veilige zorg, zelf keuzes kunnen maken en autonomie ervaren. De Jonge: “Je hoopt dat álle vrouwen en kinderen de hulp krijgen die ze nodig hebben.”

De oratie van Ank de Jonge, getiteld ‘Tijd voor verloskundige zorg met vrouwen’, zou plaatsvinden op 4 juni, maar is vanwege de coronacrisis uitgesteld tot 22 januari 2021. Voorafgaand is er een symposium: ‘Continuïteit in de geboortezorg - het belang van een vertrouwde zorgverlener’.

Tekst: Klazien Kruisheer
Foto: Mark Horn

Dit artikel is verschenen in ons kwartaalblad Janus.