29 mei 2018 | Verhaal

Depressie komt veel voor onder jongeren en jongvolwassenen. Eén op de vijftien jongeren van 18 tot 25 jaar kampt ermee. Het nieuwe Transitiecentrum Affectieve Stoornissen (TAS) van het AMC richt zich specifiek op diagnostiek en behandeling van depressie bij jongeren.

De transitie in de naam van het TAS is de overgangsperiode tussen adolescentie en volwassenheid. In de zorg betekent 18 jaar een ‘harde knip’: vanaf dat moment word je beschouwd als volwassene. Wanneer je lijdt aan bijvoorbeeld een affectieve stoornis zoals depressie, dan wacht je dus een andere, volwassen benadering. De afdeling Psychiatrie van het AMC ondervindt dat die harde knip niet goed werkt. De hersenen van een mens zijn in die periode namelijk nog niet ‘af’, maar in ontwikkeling. Gevolg is dat de reguliere psychiatrische aanpak niet de beste is voor deze patiëntengroep.

De Raad van Bestuur van het AMC heeft projectleider Anja Lok (psychiater in het AMC) innovatiegeld toegekend om samen met een expertiseteam het TAS op te zetten. Het transitiecentrum is voorlopig een pilotprogramma van drie jaar, gericht op jongeren met een depressieve stoornis, eventueel tegelijk met een somatische aandoening.

Binnen het TAS vindt onderzoek plaats naar de specifieke problemen waar 18- tot 25-jarigen tegenaan lopen bij depressie. Hoe zien die problemen eruit? Hoe ontstaan ze? In hoeverre zijn ze psychisch en welke sociale en lichamelijke klachten spelen een rol? Anja Lok: “De kunst is om depressie in deze levensfase te herkennen en gericht te behandelen.”

Vaak niet herkend

Wanneer een jongere hulp zoekt, meldt deze zich vaak met andere klachten dan die waarvan volwassenen last hebben. Te denken valt aan onbegrepen lichamelijke klachten, prikkelbaarheid, eetproblemen, angstklachten, gedragsproblemen, slechtere schoolprestaties en alcohol- of drugsmisbruik. Hierdoor worden depressies vaak niet herkend.

Vanwege de uiteenlopende klachten en de grote verschillen tussen individuele jongeren, leent juist deze leeftijdsgroep zich bij uitstek voor een benadering-op-maat, gericht op het voorkómen en behandelen van depressieve klachten. Deze aanpak wordt verder ondersteund door de bevinding dat zowel algemene psychotherapeutische interventies als het voorschrijven van breed ingezette geneesmiddelen vaak niet het beoogde effect hebben.

Omgeving doorslaggevend

Kinderen van ouders met een depressie hebben een twee tot vijf keer zo groot risico om psychische klachten te krijgen als kinderen van ouders zonder psychiatrische problemen. Hierbij spelen genetische factoren een rol en kan stress, veroorzaakt door een psychiatrische stoornis van een gezinslid, leiden tot psychiatrische klachten bij gezinsleden die daarvoor gevoelig zijn. Onlangs bracht het internationale Psychiatric Genomics Consortium naar buiten dat ze 44 genetische variaties hadden gevonden die samenhangen met depressie.

Niettemin is de omgeving doorslaggevend voor de vraag of een jongere daadwerkelijk een depressie ontwikkelt. Lok: “Daarbij moet je denken aan verschillende omgevingsfactoren zoals scheiding van ouders, sociale interacties, financiële problemen. Jongeren groeien op in een maatschappij die complex is en die steeds meer eisen aan hen stelt. Dus de hersenen die nog in ontwikkeling zijn, moeten flexibel zijn en zich kunnen aanpassen aan een steeds veranderende omgeving. Zeventig procent van de depressies bij volwassenen hebben hun oorsprong tijdens de adolescentie.” “Juist in deze groep is er vaker sprake van terugkerende en chronische depressies met meer gelijktijdig voorkomende ziektes en meer zelfmoord. Depressie in de adolescentie gaat namelijk gepaard met een verhoogd risico op suïcide. Dit is doodsoorzaak nummer 2 bij jongeren, en meer dan de helft van de slachtoffers lijdt aan een depressie ten tijde van de zelfmoord. Bovendien reageren adolescenten vaak minder goed op psychologische behandelingen en geneesmiddelen dan volwassenen.”

Nieuwe soorten behandelingen

De afdeling Psychiatrie ‘meet’ de toestand van de jongvolwassen patiënt: leefstijl, stemming, activiteit. Maar ook fysiologische waarden zoals hartslag, huidweerstand, darmflora en ontstekingswaarden. “Door een beeld te krijgen van de variaties in het klachtenpatroon kun je in kaart brengen wat er speelt in deze groep.” Er wordt onderzoek gedaan naar nieuwe soorten behandelingen. “We zoeken bijvoorbeeld naar ingrepen met behulp van probiotica, en analyseren wat verandering van leefstijl voor effect kan hebben. We zoeken naar nieuwe geneesmiddelen en naar nieuwe vormen van neuromodulatie.”

Wanneer de jongvolwassenen weer de stap naar herstel hebben gezet, krijgen ze een zogeheten terugvalpreventie-programma. In samenwerking met het TAS heeft ZonMw (organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie) een scala aan apps ontwikkeld: STAY-FINE.nl. Daarmee worden de jongeren gedurende zeven jaar onderzocht. Zo worden ze geholpen om de angsten en depressies die ze te boven zijn gekomen ook echt de baas te blijven.

Tekst: Mieke Zijlmans

Foto: Stefanos Kogkas/Unsplash